로그인

시편 105편 Petrus Canisius Translation

Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 48절 · 대역: King James Version

절Petrus Canisius TranslationKing James Version
1 Halleluja! Looft Jahweh, want Hij is goed En zijn genade duurt eeuwig! O give thanks unto the Lord; call upon his name: make known his deeds among the people.
2 Wie kan Jahweh’s machtige daden vermelden, En heel zijn glorie verkonden? Sing unto him, sing psalms unto him: talk ye of all his wondrous works.
3 Gelukkig hij, die de wet onderhoudt, En altijd het goede blijft doen! Glory ye in his holy name: let the heart of them rejoice that seek the Lord.
4 Wees ons indachtig, o Jahweh, Om uw liefde voor uw volk; Zoek ons op met uw heil, Seek the Lord, and his strength: seek his face evermore.
5 Opdat wij het geluk uwer vrienden aanschouwen, Met uw blijde volk ons verblijden, Met uw erfdeel mogen roemen! Remember his marvellous works that he hath done; his wonders, and the judgments of his mouth;
6 Ach, wij hebben gezondigd met onze vaderen, Wij hebben misdreven en kwaad gedaan! O ye seed of Abraham his servant, ye children of Jacob his chosen.
7 Onze vaderen in Egypte Hebben al niet op uw wonderen gelet; En zonder aan uw talrijke gunsten te denken, Zich bij de Rode Zee tegen den Allerhoogste verzet! He is the Lord our God: his judgments are in all the earth.
8 Toch redde Hij hen om wille van zijn Naam, En om zijn almacht te tonen: He hath remembered his covenant for ever, the word which he commanded to a thousand generations.
9 Hij bedreigde de Rode Zee, ze liep droog, Hij leidde hen tussen de golven als door een uitgedroogd land. Which covenant he made with Abraham, and his oath unto Isaac;
10 Hij redde hen uit de hand van hun haters, Verloste hen uit de macht van hun vijand; And confirmed the same unto Jacob for a law, and to Israel for an everlasting covenant:
11 De wateren spoelden over hun vijanden heen, En geen bleef er over! Saying, Unto thee will I give the land of Canaan, the lot of your inheritance:
12 Toen sloegen ze geloof aan zijn woorden, En zongen zijn lof. When they were but a few men in number; yea, very few, and strangers in it.
13 Maar spoedig waren ze weer zijn werken vergeten, En wachtten zijn raadsbesluiten niet af; When they went from one nation to another, from one kingdom to another people;
14 Ze gaven zich in de woestijn aan hun gulzigheid over, En stelden God op de proef in de steppe. He suffered no man to do them wrong: yea, he reproved kings for their sakes;
15 Hij schonk hun wat ze Hem vroegen, Maar Hij liet ze er spoedig van walgen. Saying, Touch not mine anointed, and do my prophets no harm.
16 Daarna werden ze in hun kamp afgunstig op Moses, En op Aäron, aan Jahweh gewijd. Moreover he called for a famine upon the land: he brake the whole staff of bread.
17 Maar de aarde spleet open, zwolg Datan in, En bedolf de bent van Abiram; He sent a man before them, even Joseph, who was sold for a servant:
18 Vuur verbrandde hun aanhang, Vlammen verteerden de bozen! Whose feet they hurt with fetters: he was laid in iron:
19 Dan maakten ze een kalf bij de Horeb, En wierpen zich voor een afgietsel neer; Until the time that his word came: the word of the Lord tried him.
20 Ze verruilden hun Glorie Voor het beeld van een grasvretend rund. The king sent and loosed him; even the ruler of the people, and let him go free.
21 Ze vergaten God, hun Verlosser Die grote dingen in Egypte had gedaan, He made him lord of his house, and ruler of all his substance:
22 Wonderwerken in het land van Cham, Ontzaglijke daden bij de Rode Zee. To bind his princes at his pleasure; and teach his senators wisdom.
23 En zeker had Hij hun verdelging beslist, Als Moses, zijn geliefde, er niet was geweest; Maar deze stelde zich tegen Hem in de bres, Om Hem te weerhouden, hen in zijn toorn te vernielen. Israel also came into Egypt; and Jacob sojourned in the land of Ham.
24 Later versmaadden ze het heerlijke land, En sloegen geen geloof aan zijn woord; And he increased his people greatly; and made them stronger than their enemies.
25 Ze begonnen in hun tenten te morren, En luisterden niet naar Jahweh’s stem. He turned their heart to hate his people, to deal subtilly with his servants.
26 Toen stak Hij zijn hand tegen hen op: Hij zou ze neerslaan in de woestijn, He sent Moses his servant; and Aaron whom he had chosen.
27 Hun zaad verstrooien onder de volken, Ze over vreemde landen verspreiden! They shewed his signs among them, and wonders in the land of Ham.
28 Dan weer koppelden ze zich aan Báal-Peor, En aten de offers van levenloze wezens; He sent darkness, and made it dark; and they rebelled not against his word.
29 Ze tergden Hem door hun gedrag, Zodat er een slachting onder hen woedde. He turned their waters into blood, and slew their fish.
30 Toen trad Pinechas op, om de misdaad te wreken, En de slachting hield op; Their land brought forth frogs in abundance, in the chambers of their kings.
31 Het werd hem tot verdienste gerekend, Van geslacht tot geslacht voor altijd. He spake, and there came divers sorts of flies, and lice in all their coasts.
32 Ook bij de wateren van Meriba hebben ze Hem getergd, En ging het Moses om hunnentwil slecht: He gave them hail for rain, and flaming fire in their land.
33 Want ze hadden zijn stemming verbitterd, Zodat hem onbezonnen woorden ontsnapten. He smote their vines also and their fig trees; and brake the trees of their coasts.
34 Ook verdelgden ze de volkeren niet, Zoals Jahweh het hun had bevolen; He spake, and the locusts came, and caterpillers, and that without number,
35 Maar ze vermengden zich met de heidenen, En leerden hun gewoonten aan: And did eat up all the herbs in their land, and devoured the fruit of their ground.
36 Ze vereerden hun beelden, en die werden hun strik; He smote also all the firstborn in their land, the chief of all their strength.
37 Ze brachten hun zonen en dochters aan de goden ten offer; He brought them forth also with silver and gold: and there was not one feeble person among their tribes.
38 Ze gingen onschuldig bloed vergieten, Het bloed van hun zonen en dochters; Ze offerden het aan de beelden van Kanaän, En het land werd door hun bloedschuld ontwijd. Egypt was glad when they departed: for the fear of them fell upon them.
39 Zo bezoedelden ze zich door eigen maaksels, En dreven overspel met het werk hunner handen! He spread a cloud for a covering; and fire to give light in the night.
40 Toen werd Jahweh vergramd op zijn volk, En zijn erfdeel begon Hem te walgen: The people asked, and he brought quails, and satisfied them with the bread of heaven.
41 Hij leverde ze aan de heidenen uit, En hun haters werden hun meesters; He opened the rock, and the waters gushed out; they ran in the dry places like a river.
42 Ze werden verdrukt door hun vijand, Moesten bukken onder hun macht. For he remembered his holy promise, and Abraham his servant.
43 En al bracht Hij hun telkens verlossing, Ze bleven in hun opstand volharden! Maar werden ze door hun misdaad vermorzeld, And he brought forth his people with joy, and his chosen with gladness:
44 Dan zag Hij neer op hun nood, zodra Hij hun smeken vernam; And gave them the lands of the heathen: and they inherited the labour of the people;
45 Dan was Hij voor hen zijn verbond weer indachtig, Had deernis met hen naar zijn grote ontferming; That they might observe his statutes, and keep his laws. Praise ye the Lord.
46 Dan liet Hij hen genade vinden, Bij die hen hadden weggevoerd. —
47 Ach, red ons Jahweh, onze God, En breng ons uit het land der heidenen samen: Opdat wij uw heilige Naam mogen danken, En uw heerlijkheid prijzen! —
48 Gezegend zij Jahweh, Israëls God, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Laat heel het volk het herhalen: Amen! Halleluja! —

Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL