시편 88편 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 53절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. | O Lord God of my salvation, I have cried day and night before thee: |
| 2 | Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht! | Let my prayer come before thee: incline thine ear unto my cry; |
| 3 | Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast. | For my soul is full of troubles: and my life draweth nigh unto the grave. |
| 4 | Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar: | I am counted with them that go down into the pit: I am as a man that hath no strength: |
| 5 | Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht! | Free among the dead, like the slain that lie in the grave, whom thou rememberest no more: and they are cut off from thy hand. |
| 6 | De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen; | Thou hast laid me in the lowest pit, in darkness, in the deeps. |
| 7 | Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk? | Thy wrath lieth hard upon me, and thou hast afflicted me with all thy waves. Selah. |
| 8 | Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen! | Thou hast put away mine acquaintance far from me; thou hast made me an abomination unto them: I am shut up, and I cannot come forth. |
| 9 | God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh! | Mine eye mourneth by reason of affliction: Lord, I have called daily upon thee, I have stretched out my hands unto thee. |
| 10 | Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven; | Wilt thou shew wonders to the dead? shall the dead arise and praise thee? Selah. |
| 11 | Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm. | Shall thy lovingkindness be declared in the grave? or thy faithfulness in destruction? |
| 12 | Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat. | Shall thy wonders be known in the dark? and thy righteousness in the land of forgetfulness? |
| 13 | Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam! | But unto thee have I cried, O Lord; and in the morning shall my prayer prevent thee. |
| 14 | Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven. | Lord, why castest thou off my soul? why hidest thou thy face from me? |
| 15 | Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit! | I am afflicted and ready to die from my youth up: while I suffer thy terrors I am distracted. |
| 16 | Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh; | Thy fierce wrath goeth over me; thy terrors have cut me off. |
| 17 | Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt. | They came round about me daily like water; they compassed me about together. |
| 18 | Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog: | Lover and friend hast thou put far from me, and mine acquaintance into darkness. |
| 19 | Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning! | — |
| 20 | Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk. | — |
| 21 | Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd; | — |
| 22 | Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten! | — |
| 23 | Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen; | — |
| 24 | Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond. | — |
| 25 | Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen; | — |
| 26 | Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren. | — |
| 27 | Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil; | — |
| 28 | En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde. | — |
| 29 | Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn: | — |
| 30 | Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels! | — |
| 31 | En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden, | — |
| 32 | Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden: | — |
| 33 | Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld, | — |
| 34 | Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen. | — |
| 35 | Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd; | — |
| 36 | Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord! | — |
| 37 | Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn; | — |
| 38 | Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan. | — |
| 39 | En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken; | — |
| 40 | Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond. | — |
| 41 | Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd; | — |
| 42 | Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem. | — |
| 43 | Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen, | — |
| 44 | Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd. | — |
| 45 | Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen; | — |
| 46 | De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt. | — |
| 47 | Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur? | — |
| 48 | Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt. | — |
| 49 | Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf? | — |
| 50 | Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen? | — |
| 51 | Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop, | — |
| 52 | Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap! | — |
| 53 | Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen! | — |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL