로그인

시편 77편 Petrus Canisius Translation

Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 72절 · 대역: King James Version

절Petrus Canisius TranslationKing James Version
1 Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond; I cried unto God with my voice, even unto God with my voice; and he gave ear unto me.
2 Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden! In the day of my trouble I sought the Lord: my sore ran in the night, and ceased not: my soul refused to be comforted.
3 Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld, I remembered God, and was troubled: I complained, and my spirit was overwhelmed. Selah.
4 Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed. Thou holdest mine eyes waking: I am so troubled that I cannot speak.
5 Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren, I have considered the days of old, the years of ancient times.
6 Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen. I call to remembrance my song in the night: I commune with mine own heart: and my spirit made diligent search.
7 Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden; Will the Lord cast off for ever? and will he be favourable no more?
8 Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God. Is his mercy clean gone for ever? doth his promise fail for evermore?
9 Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd. Hath God forgotten to be gracious? hath he in anger shut up his tender mercies? Selah.
10 Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven. And I said, This is my infirmity: but I will remember the years of the right hand of the most High.
11 Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond. I will remember the works of the Lord: surely I will remember thy wonders of old.
12 Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan: I will meditate also of all thy work, and talk of thy doings.
13 Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam. Thy way, O God, is in the sanctuary: who is so great a God as our God?
14 Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht. Thou art the God that doest wonders: thou hast declared thy strength among the people.
15 Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen; Thou hast with thine arm redeemed thy people, the sons of Jacob and Joseph. Selah.
16 Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen. The waters saw thee, O God, the waters saw thee; they were afraid: the depths also were troubled.
17 Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn; The clouds poured out water: the skies sent out a sound: thine arrows also went abroad.
18 Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen. The voice of thy thunder was in the heaven: the lightnings lightened the world: the earth trembled and shook.
19 En krenkend spraken ze over God: "Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?" Thy way is in the sea, and thy path in the great waters, and thy footsteps are not known.
20 "Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?" Thou leddest thy people like a flock by the hand of Moses and Aaron.
21 Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn: —
22 Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp. —
23 Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels; —
24 Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren: —
25 De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe. —
26 Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht: —
27 Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee; —
28 Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten. —
29 Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden; —
30 Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond, —
31 Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer. —
32 Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven. —
33 Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren. —
34 Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God. —
35 Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser, —
36 Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong. —
37 Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw. —
38 Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden: —
39 Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert. —
40 Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt; —
41 Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd? —
42 Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste. —
43 En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan! —
44 Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt; —
45 Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten. —
46 Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten; —
47 Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel; —
48 Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting. —
49 En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten: —
50 Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest. —
51 Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham. —
52 Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd; —
53 Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt. —
54 Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd. —
55 Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen. —
56 Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet. —
57 Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog; —
58 Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden. —
59 God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen: —
60 Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde; —
61 Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand. —
62 Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel: —
63 Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied; —
64 Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet. —
65 Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn: —
66 Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande. —
67 Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit! —
68 Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad; —
69 Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig. —
70 En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg, —
71 En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel. —
72 Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid! —

Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL