시편 77편 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 72절
- 1 Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
- 2 Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
- 3 Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
- 4 Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
- 5 Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
- 6 Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
- 7 Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
- 8 Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
- 9 Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
- 10 Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
- 11 Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
- 12 Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
- 13 Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
- 14 Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
- 15 Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
- 16 Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
- 17 Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
- 18 Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
- 19 En krenkend spraken ze over God: "Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?"
- 20 "Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?"
- 21 Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
- 22 Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
- 23 Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
- 24 Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
- 25 De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
- 26 Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
- 27 Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
- 28 Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
- 29 Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
- 30 Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
- 31 Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
- 32 Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
- 33 Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
- 34 Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
- 35 Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
- 36 Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
- 37 Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
- 38 Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
- 39 Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
- 40 Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
- 41 Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
- 42 Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
- 43 En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
- 44 Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
- 45 Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
- 46 Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
- 47 Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
- 48 Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
- 49 En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
- 50 Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
- 51 Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
- 52 Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
- 53 Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
- 54 Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
- 55 Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
- 56 Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
- 57 Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
- 58 Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
- 59 God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
- 60 Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
- 61 Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
- 62 Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
- 63 Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
- 64 Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
- 65 Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
- 66 Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
- 67 Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
- 68 Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
- 69 Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
- 70 En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
- 71 En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
- 72 Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- KJV 와 나란히
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗