로그인

시편 54편 Petrus Canisius Translation

Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 24절 · 대역: King James Version

절Petrus Canisius TranslationKing James Version
1 Voor muziekbegeleiding; met harpen. Een leerdicht van David. Save me, O God, by thy name, and judge me by thy strength.
2 Hoor toch, o God, naar mijn bidden, En wend U niet af van mijn smeken; Hear my prayer, O God; give ear to the words of my mouth.
3 Luister naar mij, en schenk mij verhoring: Van ellende loop ik radeloos rond. For strangers are risen up against me, and oppressors seek after my soul: they have not set God before them. Selah.
4 Ik sidder voor het geschreeuw van den vijand, En het gehuil van den boze; Want ze storten rampen over mij uit, En bestoken mij grimmig. Behold, God is mine helper: the Lord is with them that uphold my soul.
5 Mijn hart krimpt in mijn boezem, En doodsangst bekruipt mij; He shall reward evil unto mine enemies: cut them off in thy truth.
6 Vrees en ontzetting houden mij beklemd, En de schrik grijpt mij aan. I will freely sacrifice unto thee: I will praise thy name, O Lord; for it is good.
7 Ik dacht: Had ik maar vleugels als een duif, Dan vloog ik heen, om een wijkplaats te vinden; For he hath delivered me out of all trouble: and mine eye hath seen his desire upon mine enemies.
8 Ver, ver weg zou ik vluchten, En een rustoord zoeken in de woestijn. —
9 Ik zou mij haastig in veiligheid stellen Voor de razende storm, —
10 Voor de wervelstorm, Heer, En voor de stortvloed van hun tongen. Want ik zie geweld ontketend, En de strijd tegen de stad; —
11 Dag en nacht trekken ze om haar heen, Over haar wallen. Daarbinnen heerst onrecht en knevelarij, —
12 En de misdaad troont in haar midden; En van haar pleinen wijkt Geweld noch bedrog. —
13 En was het een vijand, die mij beschimpte, Ik zou het verdragen; Of een van mijn haters, die mij hoonde, Ik zou mij verschuilen. —
14 Maar gij, een man van mijn stam, Mijn vriend en mijn makker, —
15 Met wien ik vertrouwelijk omging, Eendrachtig leefde in Gods huis! —
16 Moge de dood ze verrassen, Zodat ze levend in het dodenrijk dalen! Want boosheid heerst in hun woning, En slechtheid in hun gemoed. —
17 Maar ìk roep tot God, En Jahweh komt mij te hulp. —
18 ‘s Avonds, ‘s morgens en ‘s middags klaag ik en zucht ik, En Hij hoort naar mijn smeken. —
19 Hij zal mij vrede schenken, mij van mijn belagers bevrijden, Al staan ze nog zo talrijk tegen mij op. —
20 God verhoort mij: Hij zal ze vernederen, Hij, die van eeuwigheid op zijn troon is gezeten. Want ze zijn onverbeterlijk, En vrezen God niet; —
21 Ze slaan de hand aan hun vrienden, En schenden hun trouw. —
22 Hun mond is gladder dan boter, Maar vijandig hun hart; Hun woorden zijn zachter dan olie, Maar steken als dolken. —
23 Werp daarom uw kommer op Jahweh, Hij zal voor u zorgen; En nooit zal Hij dulden, Dat de rechtvaardige wankelt. —
24 Maar stort in het diepst van het graf, o mijn God, Die mannen van bloed en bedrog; Laat ze de helft van hun dagen niet zien, Doch laat mìj op U blijven hopen! —

Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL