로그인

시편 34편 Petrus Canisius Translation

Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 28절 · 대역: King James Version

절Petrus Canisius TranslationKing James Version
1 Van David. Bestrijd, o Jahweh, die mij bestrijden, Kamp tegen hen, die mij bekampen! I will bless the Lord at all times: his praise shall continually be in my mouth.
2 Grijp schild en beukelaar, Sta op, mij te hulp; My soul shall make her boast in the Lord: the humble shall hear thereof, and be glad.
3 Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: "Uw redding ben Ik!" O magnify the Lord with me, and let us exalt his name together.
4 Laat smaad en schande hen treffen, die mijn leven belagen, Vol schaamte vluchten, die boze plannen tegen mij smeden. I sought the Lord, and he heard me, and delivered me from all my fears.
5 Ze mogen worden als kaf voor de wind, Wanneer de Engel van Jahweh ze opjaagt; They looked unto him, and were lightened: and their faces were not ashamed.
6 Hun weg zij donker en glad, Wanneer de Engel van Jahweh ze nazet. This poor man cried, and the Lord heard him, and saved him out of all his troubles.
7 Want zonder reden hebben ze mij hun netten gespannen, Zonder aanleiding een kuil mij gegraven. The angel of the Lord encampeth round about them that fear him, and delivereth them.
8 Moge hem de ondergang treffen, Eer hij het weet; Laat het net, dat hij spande, hem vangen, Laat hem vallen in zijn eigen kuil! O taste and see that the Lord is good: blessed is the man that trusteth in him.
9 Dan zal mijn ziel in Jahweh juichen, Zich over mijn redding verheugen; O fear the Lord, ye his saints: for there is no want to them that fear him.
10 En heel mijn gebeente zal zeggen: "Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!" The young lions do lack, and suffer hunger: but they that seek the Lord shall not want any good thing.
11 Ze staan tegen mij op Als valse getuigen; En wat ik mij niet ben bewust, Brengen ze tegen mij in. Come, ye children, hearken unto me: I will teach you the fear of the Lord.
12 Goed met kwaad vergelden ze mij, En leggen het op mijn leven aan. What man is he that desireth life, and loveth many days, that he may see good?
13 En toch, toen zìj ziek lagen, Trok ik het boetekleed aan, Putte mij door vasten uit, En het gebed was niet weg uit mijn hart; Keep thy tongue from evil, and thy lips from speaking guile.
14 Ik liep rond, als gold het mijn broer of mijn vriend, Onder droefheid gebukt, als in rouw voor mijn moeder. Depart from evil, and do good; seek peace, and pursue it.
15 Maar nu ik zelf dreig te vallen, worden ze vrolijk, Lopen te hoop en scholen tegen mij samen; Als vreemden, die ik niet ken, Gaan ze tegen mij schelden, The eyes of the Lord are upon the righteous, and his ears are open unto their cry.
16 Honen mij met bittere spot, En knarsetanden tegen mij. The face of the Lord is against them that do evil, to cut off the remembrance of them from the earth.
17 Hoe lang nog, o Heer, Zult Gij dit aanzien? Verlos mij toch van hun brullen, Het enige, dat mij nog rest, uit de macht van de leeuwen! The righteous cry, and the Lord heareth, and delivereth them out of all their troubles.
18 Dan zal ik U loven in de grote gemeente, Voor een talloze schare U prijzen. The Lord is nigh unto them that are of a broken heart; and saveth such as be of a contrite spirit.
19 Laat toch mijn valse vijand niet om mij lachen, Geen knipoogjes geven, die mij onverdiend haten. Many are the afflictions of the righteous: but the Lord delivereth him out of them all.
20 Want nooit spreken ze woorden van vrede, Doch verzinnen maar leugens tegen het vreedzame volk; He keepeth all his bones: not one of them is broken.
21 Ze zetten een grote mond tegen mij op, En zeggen: Ha, ha! We hebben het met eigen ogen gezien! Evil shall slay the wicked: and they that hate the righteous shall be desolate.
22 Jahweh! Gìj hebt het gezien; blijf niet zwijgen! Heer; houd U niet verre van mij! The Lord redeemeth the soul of his servants: and none of them that trust in him shall be desolate.
23 Ontwaak en sta op, om mij recht te verschaffen, Om mij te verdedigen, mijn God en mijn Heer. —
24 Schaf mij recht naar uw gerechtigheid, Jahweh, mijn God; Laat ze niet over mij juichen. —
25 Laat ze niet denken: "Ha, nu zijn wij tevreden!" Niet zeggen: "We hebben hem onder de voet!" —
26 Neen, laat ze allen blozen van schaamte, Die zich vrolijk maken over mijn ongeluk; Met smaad en schande worden bedekt, Die een hoge toon tegen mij aanslaan. —
27 Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: "Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!" —
28 Dan zal mijn tong uw gerechtigheid prijzen, En elke dag uw lof verbreiden. —

Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL