시편 17편 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 51절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Voor muziekbegeleiding. Van den Dienaar van Jahweh; van David, die tot Jahweh de woorden van dit lied heeft gericht, toen Jahweh hem had verlost uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul. En hij sprak: | Hear the right, O Lord, attend unto my cry, give ear unto my prayer, that goeth not out of feigned lips. |
| 2 | Ik heb U lief, o Jahweh, mijn kracht; | Let my sentence come forth from thy presence; let thine eyes behold the things that are equal. |
| 3 | Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen, Mijn schild, de hoorn van mijn heil, en mijn schutse. | Thou hast proved mine heart; thou hast visited me in the night; thou hast tried me, and shalt find nothing; I am purposed that my mouth shall not transgress. |
| 4 | Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost. | Concerning the works of men, by the word of thy lips I have kept me from the paths of the destroyer. |
| 5 | De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven der onderwereld sloegen over mij heen; | Hold up my goings in thy paths, that my footsteps slip not. |
| 6 | De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed: | I have called upon thee, for thou wilt hear me, O God: incline thine ear unto me, and hear my speech. |
| 7 | Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En schreide om hulp tot mijn God. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren: | Shew thy marvellous lovingkindness, O thou that savest by thy right hand them which put their trust in thee from those that rise up against them. |
| 8 | Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten der bergen; Want Hij was in woede ontstoken, | Keep me as the apple of the eye, hide me under the shadow of thy wings, |
| 9 | Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit. | From the wicked that oppress me, from my deadly enemies, who compass me about. |
| 10 | Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten; | They are inclosed in their own fat: with their mouth they speak proudly. |
| 11 | Hij besteeg den Cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken. | They have now compassed us in our steps: they have set their eyes bowing down to the earth; |
| 12 | Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent; | Like as a lion that is greedy of his prey, and as it were a young lion lurking in secret places. |
| 13 | En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken hagel en vurige kolen. | Arise, O Lord, disappoint him, cast him down: deliver my soul from the wicked, which is thy sword: |
| 14 | En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem; | From men which are thy hand, O Lord, from men of the world, which have their portion in this life, and whose belly thou fillest with thy hid treasure: they are full of children, and leave the rest of their substance to their babes. |
| 15 | Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde zijn bliksems, en joeg ze uiteen. | As for me, I will behold thy face in righteousness: I shall be satisfied, when I awake, with thy likeness. |
| 16 | Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot: Door uw dreigen, o Jahweh, Door het snuivend gebries van uw neus. | — |
| 17 | Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren; | — |
| 18 | Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig. | — |
| 19 | Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer; | — |
| 20 | Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad. | — |
| 21 | Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden: | — |
| 22 | Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God; | — |
| 23 | Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken; | — |
| 24 | Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard; | — |
| 25 | Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid van handen in zijn ogen. | — |
| 26 | Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen; | — |
| 27 | Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig. | — |
| 28 | Ja, Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken; | — |
| 29 | Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt; | — |
| 30 | Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen. | — |
| 31 | God! Volmaakt zijn zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem. | — |
| 32 | Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God! | — |
| 33 | God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg; | — |
| 34 | Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen; | — |
| 35 | Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog. | — |
| 36 | Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw rechterhand heeft mij gestut, uw goedheid maakte mij groot. | — |
| 37 | Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet. | — |
| 38 | Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen; | — |
| 39 | Ik heb ze verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen. | — |
| 40 | Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken; | — |
| 41 | Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien, Mijn haters heb ik verdelgd. | — |
| 42 | Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet; | — |
| 43 | Ik vermaal ze als stof voor de wind, En vertrap ze als slijk op de straten. | — |
| 44 | Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren, En mij aan het hoofd van de naties gesteld: | — |
| 45 | Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar, Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij; | — |
| 46 | Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten. | — |
| 47 | Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God van mijn heil! | — |
| 48 | Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen; | — |
| 49 | Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd! | — |
| 50 | Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw Naam verheerlijken onder de volken! | — |
| 51 | Machtige hulp verleent Hij zijn Koning, En genade aan zijn Gezalfde: Aan David en zijn geslacht voor altijd! | — |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL