시편 118편 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 176절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Gelukkig, die onberispelijk zijn in hun wandel, En leven volgens Jahweh’s wet; | O give thanks unto the Lord; for he is good: because his mercy endureth for ever. |
| 2 | Gelukkig, die op zijn vermaningen letten, Hem zoeken met geheel hun hart; | Let Israel now say, that his mercy endureth for ever. |
| 3 | Zij ook, die geen ongerechtigheid plegen, Maar blijven leven naar zijn woord. | Let the house of Aaron now say, that his mercy endureth for ever. |
| 4 | Gij zelf hebt uw bevelen gegeven, Opdat men ze trouw zou volbrengen; | Let them now that fear the Lord say, that his mercy endureth for ever. |
| 5 | Ach, mocht mijn gedrag zo onwankelbaar zijn, Dat ik uw inzettingen trouw onderhield. | I called upon the Lord in distress: the Lord answered me, and set me in a large place. |
| 6 | Dan zal ik nooit beschaamd komen staan, Als ik het oog richt op al uw geboden; | The Lord is on my side; I will not fear: what can man do unto me? |
| 7 | Maar in oprechtheid des harten zal ik U danken, Als ik uw rechtvaardige voorschriften leer. | The Lord taketh my part with them that help me: therefore shall I see my desire upon them that hate me. |
| 8 | Ik houd mij vast aan uw bestel: Verlaat mij dan niet voor altoos! | It is better to trust in the Lord than to put confidence in man. |
| 9 | Hoe kan een jongeman zijn reinheid bewaren? Door zich te houden aan uw woord! | It is better to trust in the Lord than to put confidence in princes. |
| 10 | Ik heb U met heel mijn hart gezocht, Laat mij nooit uw geboden verlaten; | All nations compassed me about: but in the name of the Lord will I destroy them. |
| 11 | Ik bewaar uw bestel in mijn hart, Om nooit te zondigen tegen U. | They compassed me about; yea, they compassed me about: but in the name of the Lord I will destroy them. |
| 12 | Geprezen zijt Gij, o Jahweh, Leer mij uw inzettingen kennen; | They compassed me about like bees; they are quenched as the fire of thorns: for in the name of the Lord I will destroy them. |
| 13 | Dan zal ik met mijn lippen verbreiden Al de voorschriften van uw mond. | Thou hast thrust sore at me that I might fall: but the Lord helped me. |
| 14 | Ik verheug mij over de weg, die uw vermaning mij wees, Meer dan over alle schatten; | The Lord is my strength and song, and is become my salvation. |
| 15 | Uw bevelen wil ik overwegen, En op uw paden blijven letten; | The voice of rejoicing and salvation is in the tabernacles of the righteous: the right hand of the Lord doeth valiantly. |
| 16 | Ik wil mij aan uw wet verkwikken, En nimmermeer uw woord vergeten! | The right hand of the Lord is exalted: the right hand of the Lord doeth valiantly. |
| 17 | Laat uw dienstknecht leven, En ik zal uw woord onderhouden; | I shall not die, but live, and declare the works of the Lord. |
| 18 | Neem de sluier van mijn ogen, Opdat ik de wonderen van uw wet aanschouwe. | The Lord hath chastened me sore: but he hath not given me over unto death. |
| 19 | Al ben ik maar een zwerver op aarde, Verberg mij uw bevelen niet; | Open to me the gates of righteousness: I will go into them, and I will praise the Lord: |
| 20 | Want mijn ziel wordt verteerd van verlangen Naar uw voorschriften, altijd door. | This gate of the Lord, into which the righteous shall enter. |
| 21 | Gij bedreigt de hoogmoedigen, Vervloekt, die uw geboden verlaat; | I will praise thee: for thou hast heard me, and art become my salvation. |
| 22 | Wend dan smaad en hoon van mij af, Want uw vermaningen neem ik ter harte. | The stone which the builders refused is become the head stone of the corner. |
| 23 | Al spannen ook vorsten tegen mij samen, Uw dienstknecht peinst over uw inzettingen na; | This is the Lord’s doing; it is marvellous in our eyes. |
| 24 | Ja, uw bestel is mij een lust, En mijn berader. | This is the day which the Lord hath made; we will rejoice and be glad in it. |
| 25 | Reeds ligt mijn ziel aan het stof gekluisterd: Wek mij ten leven naar uw woord. | Save now, I beseech thee, O Lord: O Lord, I beseech thee, send now prosperity. |
| 26 | Mijn leven heb ik U open gelegd: Gij hebt mij gehoord, Leer mij thans uw inzettingen kennen; | Blessed be he that cometh in the name of the Lord: we have blessed you out of the house of the Lord. |
| 27 | Onderricht mij, hoe ik naar uw bevelen moet leven, En ik zal uw wonderen vermelden. | God is the Lord, which hath shewed us light: bind the sacrifice with cords, even unto the horns of the altar. |
| 28 | Mijn ziel kwijnt weg van ellende: Richt mij naar uw bestel weer op. | Thou art my God, and I will praise thee: thou art my God, I will exalt thee. |
| 29 | Houd de weg der leugen ver van mij af, En schenk mij genadig uw wet; | O give thanks unto the Lord; for he is good: for his mercy endureth for ever. |
| 30 | Ik heb de weg der waarheid gekozen, Uw voorschriften mij voor ogen gesteld. | — |
| 31 | Ik klamp mij aan uw vermaningen vast, Maak mij niet te schande, o Jahweh; | — |
| 32 | De weg uwer geboden zal ik bewandelen, Als Gij mijn hart maar verblijdt. | — |
| 33 | Leer mij, Jahweh, naar uw inzettingen leven, Opdat ik ze ten einde toe onderhoud; | — |
| 34 | Geef mij inzicht om uw wet te volbrengen, En met heel mijn hart te beleven; | — |
| 35 | Laat mij het pad uwer geboden betreden, Want dat is mijn vreugd. | — |
| 36 | Neig mijn hart naar uw vermaningen, En niet naar gewin; | — |
| 37 | Wend mijn ogen van de ijdelheid af, En laat mij leven naar uw woord. | — |
| 38 | Doe uw bestel aan uw dienstknecht gestand, Dat Gij beschikt hebt voor hen, die U vrezen; | — |
| 39 | Wentel de smaad, die ik ducht, van mij weg, Want uw voorschriften blijven voortreffelijk. | — |
| 40 | Zie, ik hunker naar uw bevelen, Laat mij door uw gerechtigheid leven! | — |
| 41 | Moge uw genade mijn deel zijn, o Jahweh, En uw heil naar uw bestel; | — |
| 42 | Dan zal ik mijn lasteraars te woord kunnen staan, Want ik vertrouw op uw woord; | — |
| 43 | Neem het woord der waarheid niet geheel uit mijn mond, Want ik wacht uw voorschriften af. | — |
| 44 | Uw wet wil ik steeds onderhouden, Voor eeuwig en immer; | — |
| 45 | Dan zal ik ongestoord kunnen leven, Omdat ik naar uw bevelen vraag. | — |
| 46 | Zelfs koningen zal ik van uw vermaningen spreken, En mij er nooit over schamen; | — |
| 47 | Ik zal mij aan uw geboden verkwikken, Die ik van harte bemin; | — |
| 48 | Tot U zal ik mijn handen verheffen, En uw inzettingen overwegen. | — |
| 49 | Gedenk het woord, tot uw dienstknecht gesproken, En waarop Gij mijn hoop hebt gesteld; | — |
| 50 | Dit is mijn troost in mijn ellende, Dat uw bestel mij het leven behoudt. | — |
| 51 | Al bespotten de bozen mij nog zo vijandig, Toch wijk ik niet af van uw wet; | — |
| 52 | Ik blijf uw aloude voorschriften indachtig, En voel mij er door getroost, o Jahweh; | — |
| 53 | Maar gramschap maakt zich van mij meester, Om de zondaars, die uw geboden verlaten. | — |
| 54 | Uw inzettingen ruisen als zangen mij tegen In het huis van mijn ballingschap; | — |
| 55 | Des nachts, o Jahweh, gedenk ik uw Naam, En volg uw vermaningen op; | — |
| 56 | Want dit is mijn plicht: Dat ik uw bevelen volbreng. | — |
| 57 | Gij zijt mijn erfdeel, o Jahweh: Ik heb beloofd, uw woord te volbrengen; | — |
| 58 | Van ganser harte zoek ik uw aanschijn, Wees mij genadig naar uw bestel. | — |
| 59 | Ik overleg bij mijzelf, welke weg ik moet gaan, En naar uw vermaningen richt ik mijn schreden; | — |
| 60 | Ik haast mij, zonder ooit te talmen, Om uw geboden te onderhouden; | — |
| 61 | En al houden mij de strikken der bozen gevangen, Nooit vergeet ik uw wet; | — |
| 62 | Midden in de nacht sta ik op, Om U voor uw rechtvaardige voorschriften te danken. | — |
| 63 | Ik ben de vriend van al, die U vreest, En die uw bevelen volbrengt; | — |
| 64 | De aarde is vol van uw goedheid, o Jahweh, Leer mij maar uw inzettingen kennen. | — |
| 65 | Gij hebt uw dienstknecht wèl gedaan, O Jahweh, naar uw woord; | — |
| 66 | Schenk mij een helder oordeel en inzicht, Want ik heb vertrouwen in uw geboden. | — |
| 67 | Eer ik vernederd werd, dwaalde ik af, Maar nu houd ik mij aan uw bestel; | — |
| 68 | Gij zijt goed en doet wèl: Leer mij dan uw inzettingen kennen. | — |
| 69 | Onbeschaamden belasteren mij, Want van ganser harte neem ik uw bevelen in acht; | — |
| 70 | Lomp als vet is hun hart, Maar ìk vind mijn vreugd in uw wet; | — |
| 71 | En het was mij goed, te worden vernederd, Om uw vermaningen te leren verstaan; | — |
| 72 | Want de voorschriften van uw mond schat ik hoger, Dan duizenden in goud en zilver! | — |
| 73 | Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd, Geef mij ook inzicht, om uw geboden te kennen; | — |
| 74 | Dan zien, die U vrezen, met vreugd op mij neer, Omdat ik vertrouw op uw woord. | — |
| 75 | Ik weet, dat uw oordeel rechtvaardig is, Jahweh, En dat Gij mij naar verdienste kastijdt; | — |
| 76 | Maar uw genade zij mij tot troost, Naar uw bestel voor uw knecht; | — |
| 77 | Uw ontferming dale op mij neer, en doe mij herleven, Want uw wet is mij een verkwikking. | — |
| 78 | Schande voor de trotsen, die onverdiend mij verdrukken, Daar ik uw bevelen bedenk; | — |
| 79 | Maar mijn vrienden mogen zijn, die U vrezen, En die uw vermaningen kennen; | — |
| 80 | Door uw inzettingen worde mijn hart zonder smet, Zodat ik niet beschaamd hoef te staan. | — |
| 81 | Mijn ziel smacht naar uw heil, Ik vertrouw op uw woord; | — |
| 82 | Mijn ogen hunkeren naar uw bestel, En vragen: Wanneer brengt Gij mij troost? | — |
| 83 | Al ben ik als een leren zak in de rook, Toch vergeet ik uw inzettingen niet. | — |
| 84 | Ach, hoelang zal uw dienstknecht nog leven, En wanneer voltrekt Gij aan mijn vervolgers uw oordeel? | — |
| 85 | Onbeschaamden hebben mij kuilen gegraven, Want ze leven niet naar uw wet. | — |
| 86 | Al uw geboden zijn waarachtig, Maar men vervolgt mij met leugens: Ach kom mij te hulp; | — |
| 87 | Men had mij haast van de aarde verdelgd, Toch had ik mij niet aan uw bevelen onttrokken; | — |
| 88 | Behoud mij in het leven naar uw genade, En de vermaningen van uw mond volg ik op! | — |
| 89 | Uw woord blijft eeuwig, o Jahweh, Het staat vast als de hemel; | — |
| 90 | Uw bestel houdt stand van geslacht tot geslacht, Staat vast als de aarde, die Gij hebt gegrond; | — |
| 91 | En naar uw voorschriften blijven ze ook nu nog bestaan, Want het heelal is uw dienstknecht! | — |
| 92 | Wanneer uw wet mij niet had verkwikt, Dan was ik in mijn ellende te gronde gegaan; | — |
| 93 | Nimmer zal ik dan uw bevelen vergeten, Want juist daardoor doet Gij mij leven. | — |
| 94 | Ik ben de uwe: Ach, kom mij te hulp, Want ijverig spoor ik uw voorschriften na; | — |
| 95 | De bozen loeren, om mij te verdelgen, Maar ik blijf uw vermaningen achten. | — |
| 96 | Aan alles zie ik een eind, al is het nog zo volmaakt, Maar uw gebod is onbegrensd! | — |
| 97 | Hoe lief toch heb ik uw wet, Ik overweeg ze de hele dag door! | — |
| 98 | Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden zijn, Want het vergezelt mij voor eeuwig; | — |
| 99 | Ik heb meer verstand dan al mijn meesters, Want ik denk over uw vermaningen na; | — |
| 100 | En ik heb helderder inzicht dan de oudsten, Want ik neem uw bevelen in acht. | — |
| 101 | Van alle slechte paden houd ik mijn voeten, Om uw woord te volbrengen; | — |
| 102 | En van uw voorschriften wijk ik niet af, Want Gij hebt ze mij zelf onderwezen. | — |
| 103 | Hoe zoet voor mijn gehemelte is uw bestel, Meer dan honing voor mijn mond; | — |
| 104 | Door uw inzettingen ben ik verstandig geworden, En haat dus ieder leugenpad. | — |
| 105 | Uw woord is een lamp voor mijn voeten, En een licht op mijn pad; | — |
| 106 | Ik heb gezworen, en zal het gestand doen, Uw rechtvaardige voorschriften te onderhouden. | — |
| 107 | Ach, Jahweh, ik ga zo diep gebukt, Wek mij ten leven naar uw bestel; | — |
| 108 | Wil de offeranden van mijn mond aanvaarden, o Jahweh, En onderricht mij in uw geboden. | — |
| 109 | Al zweeft mijn leven in voortdurend gevaar, Toch vergeet ik nimmer uw wet; | — |
| 110 | En al leggen de bozen mij strikken, Van al uw bevelen wijk ik niet af. | — |
| 111 | Uw vermaningen blijven mijn erfdeel voor eeuwig, Want ze zijn de vreugd van mijn hart; | — |
| 112 | En ik heb er mijn hart op gezet, Naar uw inzettingen te leven voor eeuwig en immer! | — |
| 113 | Ik haat halfslachtige wezens, Maar uw wet heb ik lief; | — |
| 114 | Gij zijt mijn schuts en mijn schild, Ik vertrouw op uw woord; | — |
| 115 | Weg van mij, zondaars, Laat mij de geboden van mijn God onderhouden! | — |
| 116 | Sterk mij naar uw bestel, opdat ik blijf leven, En laat mijn hoop niet worden beschaamd; | — |
| 117 | Stut mij, opdat ik worde gered, En mij altijd aan uw bevelen verkwikke. | — |
| 118 | Wie uw inzettingen verlaten, zijn U een gruwel, Want ze bedenken enkel leugens; | — |
| 119 | En als afval veracht Gij alle bozen op aarde, Daarom heb ik uw vermaningen lief. | — |
| 120 | Mijn lichaam beeft voor U van schrik, En ik ben bevreesd voor uw oordeel! | — |
| 121 | Een rechtvaardig oordeel hebt Gij geveld, Lever mij niet over aan mijn verdrukkers; | — |
| 122 | Uw woord blijve borg voor uw dienaar, Laat geen onbeschaamde mij kwellen. | — |
| 123 | Mijn ogen smachten naar uw heil, En naar uw rechtvaardig bestel; | — |
| 124 | Handel met uw dienstknecht naar uw genade, En leer mij uw inzettingen kennen; | — |
| 125 | Ik ben uw dienstknecht: ach, geef mij verstand, Opdat ik uw vermaningen moge begrijpen. | — |
| 126 | Het is tijd om te handelen, Jahweh: Men verkracht uw wet; | — |
| 127 | Daarom heb ik uw geboden lief, Boven goud en edel metaal; | — |
| 128 | Daarom richt ik mij naar al uw bevelen, En haat ik ieder leugenpad. | — |
| 129 | Uw vermaningen zijn wondervol, Mijn ziel neemt ze daarom in acht; | — |
| 130 | De openbaring van uw woord straalt licht van zich uit, En geeft wijsheid aan de eenvoudigen; | — |
| 131 | En smachtend open ik mijn mond, Want ik hunker naar uw geboden. | — |
| 132 | Keer U tot mij, en wees mij genadig, Naar uw beschikking voor hen, die uw Naam beminnen; | — |
| 133 | Richt mijn schreden naar uw bestel, En laat geen onheil mij treffen. | — |
| 134 | Bevrijd mij van de verdrukking der mensen, Opdat ik trouw uw bevelen volbrenge; | — |
| 135 | Laat uw aangezicht stralen over uw dienstknecht, En leer mij uw inzettingen kennen. | — |
| 136 | Stromen van tranen ontwellen mijn ogen, Omdat men uw wet niet beleeft. | — |
| 137 | Rechtvaardig zijt Gij, o Jahweh, En ook uw voorschriften zijn volgens recht; | — |
| 138 | In gerechtigheid hebt Gij uw vermaningen gegeven, En in volledige trouw. | — |
| 139 | Ik word door ergernis verteerd, Omdat mijn vijanden uw woord vergeten; | — |
| 140 | Maar uw bestel is beproefd als in vuur, En uw dienstknecht heeft het lief; | — |
| 141 | En al ben ik maar klein en gering, Nooit wil ik uw bevelen vergeten. | — |
| 142 | Ongerept blijft uw gerechtigheid voor eeuwig en immer, En waarachtig uw wet; | — |
| 143 | Al treffen mij nood en ellende, Uw geboden zijn mijn verkwikking. | — |
| 144 | Uw inzettingen zijn rechtvaardig voor eeuwig; Onderricht mij er in, opdat ik blijf leven! | — |
| 145 | Ik roep met heel mijn hart: Jahweh verhoor mij! Uw inzettingen wil ik trouw onderhouden; | — |
| 146 | Ik roep U aan: ach, kom mij te hulp, Om uw vermaningen te beleven. | — |
| 147 | Ik ben met mijn smeken de dageraad vóór, Want ik smacht naar uw woord; | — |
| 148 | En mijn ogen voorkomen de nachtwake, Om op te zien naar uw bestel. | — |
| 149 | Hoor in uw goedheid mijn smeken, o Jahweh, En wek mij naar uw beschikking ten leven; | — |
| 150 | Mijn listige vervolgers zijn al nabij, Maar ze houden zich ver van uw wet; | — |
| 151 | Maar Gij ook, Jahweh, zijt nabij, En waarachtig zijn al uw geboden; | — |
| 152 | Van oudsher ken ik uw bevelen, Want Gij hebt ze gegeven voor eeuwig! | — |
| 153 | Aanschouw mijn ellende, en kom mij te hulp, Want nooit vergeet ik uw wet; | — |
| 154 | Wees mijn verdediger en mijn beschermer, En doe mij leven naar uw bestel. | — |
| 155 | Het heil blijft ver van de bozen verwijderd, Want ze zoeken uw inzettingen niet; | — |
| 156 | Maar uw barmhartigheid, Jahweh, is groot, Wek mij ten leven naar uw woord. | — |
| 157 | Al zijn mijn vervolgers en vijanden talrijk, Van uw vermaningen wijk ik niet af; | — |
| 158 | Het walgt mij, als ik trouwelozen aanschouw, Die uw geboden niet willen volbrengen. | — |
| 159 | Zie, hoe ik uw bevelen liefheb, o Jahweh, Laat mij dan leven naar uw genade; | — |
| 160 | Uw woord is een en al waarheid, En eeuwig houden al uw rechtvaardige voorschriften stand. | — |
| 161 | Vorsten vervolgen mij zonder enige grond, Maar mijn hart is enkel beducht voor uw woord. | — |
| 162 | Ik verheug mij over uw bestel, Als iemand, die rijke buit heeft gemaakt; | — |
| 163 | Leugen en haat verfoei ik, Maar uw inzettingen heb ik lief. | — |
| 164 | Zeven maal daags zing ik uw lof, Om uw rechtvaardige voorschriften; | — |
| 165 | Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, En struikelen nooit. | — |
| 166 | Jahweh, ik smacht naar uw heil, En onderhoud uw geboden; | — |
| 167 | Ik volg uw vermaningen op, En bemin ze van harte; | — |
| 168 | Ik volbreng uw bevelen, Ja, heel mijn leven ligt voor U bloot! | — |
| 169 | Jahweh, mijn smeken dringe tot U door, Geef mij inzicht naar uw woord; | — |
| 170 | Moge mijn gebed voor uw aangezicht komen, Breng mij redding naar uw bestel. | — |
| 171 | Dan zal een lofzang mijn lippen ontstromen, Omdat Gij uw inzettingen mij hebt geleerd; | — |
| 172 | En mijn tong zal uw waarachtigheid loven, Want al uw vermaningen zijn gerecht. | — |
| 173 | Uw hand zij bereid, mij te helpen, Want uw bevelen heb ik verkoren; | — |
| 174 | Jahweh, ik smacht naar uw heil, En uw wet is mij een verkwikking. | — |
| 175 | Mijn ziel moge leven, om U te loven, En uw voorschriften mogen mij helpen; | — |
| 176 | Als een verloren schaap dool ik rond: zoek uw dienaar weer op, Want nimmer heb ik uw geboden vergeten! | — |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL