욥기 41장 Dutch Staten Vertaling
Dutch Staten Vertaling · 네덜란드어 · 욥기 (Job) · 34절
- 1 Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?
- 2 Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
- 3 Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?
- 4 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?
- 5 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters?
- 6 Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
- 7 Zult gij zijn huis met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd?
- 8 Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.
- 9 Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
- 10 Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
- 11 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.
- 12 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.
- 13 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?
- 14 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
- 15 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.
- 16 Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.
- 17 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.
- 18 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.
- 19 Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
- 20 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel.
- 21 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
- 22 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.
- 23 De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.
- 24 Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.
- 25 Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.
- 26 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.
- 27 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.
- 28 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
- 29 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.
- 30 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
- 31 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
- 32 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.
- 33 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.
- 34 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
- 📚 Dutch Staten Vertaling 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- KJV 와 나란히
- 🌐 다른 언어·판
Dutch Staten Vertaling — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗