예레미야애가 3장 Dutch Staten Vertaling
Dutch Staten Vertaling · 네덜란드어 · 예레미야애가 (Lamentations) · 66절 · 대역: King James Version
| 절 | Dutch Staten Vertaling | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. | I am the man that hath seen affliction by the rod of his wrath. |
| 2 | Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. | He hath led me, and brought me into darkness, but not into light. |
| 3 | Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. | Surely against me is he turned; he turneth his hand against me all the day. |
| 4 | Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. | My flesh and my skin hath he made old; he hath broken my bones. |
| 5 | Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. | He hath builded against me, and compassed me with gall and travail. |
| 6 | Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. | He hath set me in dark places, as they that be dead of old. |
| 7 | Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. | He hath hedged me about, that I cannot get out: he hath made my chain heavy. |
| 8 | Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. | Also when I cry and shout, he shutteth out my prayer. |
| 9 | Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. | He hath inclosed my ways with hewn stone, he hath made my paths crooked. |
| 10 | Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. | He was unto me as a bear lying in wait, and as a lion in secret places. |
| 11 | Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. | He hath turned aside my ways, and pulled me in pieces: he hath made me desolate. |
| 12 | Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. | He hath bent his bow, and set me as a mark for the arrow. |
| 13 | He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. | He hath caused the arrows of his quiver to enter into my reins. |
| 14 | He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag. | I was a derision to all my people; and their song all the day. |
| 15 | He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. | He hath filled me with bitterness, he hath made me drunken with wormwood. |
| 16 | Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt. | He hath also broken my teeth with gravel stones, he hath covered me with ashes. |
| 17 | Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. | And thou hast removed my soul far off from peace: I forgat prosperity. |
| 18 | Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE. | And I said, My strength and my hope is perished from the Lord: |
| 19 | Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle. | Remembering mine affliction and my misery, the wormwood and the gall. |
| 20 | Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij. | My soul hath them still in remembrance, and is humbled in me. |
| 21 | Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; | This I recall to my mind, therefore have I hope. |
| 22 | Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; | It is of the Lord’s mercies that we are not consumed, because his compassions fail not. |
| 23 | Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. | They are new every morning: great is thy faithfulness. |
| 24 | Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. | The Lord is my portion, saith my soul; therefore will I hope in him. |
| 25 | Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. | The Lord is good unto them that wait for him, to the soul that seeketh him. |
| 26 | Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN. | It is good that a man should both hope and quietly wait for the salvation of the Lord. |
| 27 | Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. | It is good for a man that he bear the yoke in his youth. |
| 28 | Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. | He sitteth alone and keepeth silence, because he hath borne it upon him. |
| 29 | Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. | He putteth his mouth in the dust; if so be there may be hope. |
| 30 | Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad. | He giveth his cheek to him that smiteth him: he is filled full with reproach. |
| 31 | Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. | For the Lord will not cast off for ever: |
| 32 | Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden. | But though he cause grief, yet will he have compassion according to the multitude of his mercies. |
| 33 | Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte. | For he doth not afflict willingly nor grieve the children of men. |
| 34 | Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt; | To crush under his feet all the prisoners of the earth, |
| 35 | Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten; | To turn aside the right of a man before the face of the most High, |
| 36 | Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien? | To subvert a man in his cause, the Lord approveth not. |
| 37 | Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt? | Who is he that saith, and it cometh to pass, when the Lord commandeth it not? |
| 38 | Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? | Out of the mouth of the most High proceedeth not evil and good? |
| 39 | Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. | Wherefore doth a living man complain, a man for the punishment of his sins? |
| 40 | Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE. | Let us search and try our ways, and turn again to the Lord. |
| 41 | Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: | Let us lift up our heart with our hands unto God in the heavens. |
| 42 | Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard. | We have transgressed and have rebelled: thou hast not pardoned. |
| 43 | Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond. | Thou hast covered with anger, and persecuted us: thou hast slain, thou hast not pitied. |
| 44 | Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. | Thou hast covered thyself with a cloud, that our prayer should not pass through. |
| 45 | Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken. | Thou hast made us as the offscouring and refuse in the midst of the people. |
| 46 | Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd. | All our enemies have opened their mouths against us. |
| 47 | Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking. | Fear and a snare is come upon us, desolation and destruction. |
| 48 | Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks. | Mine eye runneth down with rivers of water for the destruction of the daughter of my people. |
| 49 | Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is; | Mine eye trickleth down, and ceaseth not, without any intermission, |
| 50 | Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie. | Till the Lord look down, and behold from heaven. |
| 51 | Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad. | Mine eye affecteth mine heart because of all the daughters of my city. |
| 52 | Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd. | Mine enemies chased me sore, like a bird, without cause. |
| 53 | Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen. | They have cut off my life in the dungeon, and cast a stone upon me. |
| 54 | Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! | Waters flowed over mine head; then I said, I am cut off. |
| 55 | Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil. | I called upon thy name, O Lord, out of the low dungeon. |
| 56 | Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. | Thou hast heard my voice: hide not thine ear at my breathing, at my cry. |
| 57 | Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet! | Thou drewest near in the day that I called upon thee: thou saidst, Fear not. |
| 58 | Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost. | O Lord, thou hast pleaded the causes of my soul; thou hast redeemed my life. |
| 59 | Resch. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak. | O Lord, thou hast seen my wrong: judge thou my cause. |
| 60 | Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij. | Thou hast seen all their vengeance and all their imaginations against me. |
| 61 | Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; | Thou hast heard their reproach, O Lord, and all their imaginations against me; |
| 62 | Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag. | The lips of those that rose up against me, and their device against me all the day. |
| 63 | Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. | Behold their sitting down, and their rising up; I am their musick. |
| 64 | Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen. | Render unto them a recompence, O Lord, according to the work of their hands. |
| 65 | Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen! | Give them sorrow of heart, thy curse unto them. |
| 66 | Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN. | Persecute and destroy them in anger from under the heavens of the Lord. |
Dutch Staten Vertaling — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL