시편 94편 Dutch Staten Vertaling
Dutch Staten Vertaling · 네덜란드어 · 시편 (Psalms) · 23절 · 대역: King James Version
| 절 | Dutch Staten Vertaling | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende. | O Lord God, to whom vengeance belongeth; O God, to whom vengeance belongeth, shew thyself. |
| 2 | Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen. | Lift up thyself, thou judge of the earth: render a reward to the proud. |
| 3 | Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? | Lord, how long shall the wicked, how long shall the wicked triumph? |
| 4 | Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen? | How long shall they utter and speak hard things? and all the workers of iniquity boast themselves? |
| 5 | O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. | They break in pieces thy people, O Lord, and afflict thine heritage. |
| 6 | De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen. | They slay the widow and the stranger, and murder the fatherless. |
| 7 | En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet. | Yet they say, The Lord shall not see, neither shall the God of Jacob regard it. |
| 8 | Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden? | Understand, ye brutish among the people: and ye fools, when will ye be wise? |
| 9 | Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen? | He that planted the ear, shall he not hear? he that formed the eye, shall he not see? |
| 10 | Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert? | He that chastiseth the heathen, shall not he correct? he that teacheth man knowledge, shall not he know? |
| 11 | De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn. | The Lord knoweth the thoughts of man, that they are vanity. |
| 12 | Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet, | Blessed is the man whom thou chastenest, O Lord, and teachest him out of thy law; |
| 13 | Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt. | That thou mayest give him rest from the days of adversity, until the pit be digged for the wicked. |
| 14 | Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. | For the Lord will not cast off his people, neither will he forsake his inheritance. |
| 15 | Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen. | But judgment shall return unto righteousness: and all the upright in heart shall follow it. |
| 16 | Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? | Who will rise up for me against the evildoers? or who will stand up for me against the workers of iniquity? |
| 17 | Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. | Unless the Lord had been my help, my soul had almost dwelt in silence. |
| 18 | Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. | When I said, My foot slippeth; thy mercy, O Lord, held me up. |
| 19 | Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt. | In the multitude of my thoughts within me thy comforts delight my soul. |
| 20 | Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? | Shall the throne of iniquity have fellowship with thee, which frameth mischief by a law? |
| 21 | Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. | They gather themselves together against the soul of the righteous, and condemn the innocent blood. |
| 22 | Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht. | But the Lord is my defence; and my God is the rock of my refuge. |
| 23 | En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen. | And he shall bring upon them their own iniquity, and shall cut them off in their own wickedness; yea, the Lord our God shall cut them off. |
Dutch Staten Vertaling — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL