창세기 15장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 창세기 (Genesis) · 21절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Na deze gebeurtenissen werd in een gezicht het woord van Jahweh gericht tot Abram: Vrees niet Abram: Ik ben u tot schild; Overgroot zal uw loon zijn! | After these things the word of the Lord came unto Abram in a vision, saying, Fear not, Abram: I am thy shield, and thy exceeding great reward. |
| 2 | Toen zei Abram: Jahweh, mijn Heer, wat kunt Gij me geven? Kinderloos ga ik heen, en Eliézer uit Damascus zal de bezitter zijn van mijn huis. | And Abram said, Lord God, what wilt thou give me, seeing I go childless, and the steward of my house is this Eliezer of Damascus? |
| 3 | En Abram ging voort: Zie, Gij hebt mij geen nazaat gegeven, en een mijner onderhorigen zal mijn erfgenaam zijn. | And Abram said, Behold, to me thou hast given no seed: and, lo, one born in my house is mine heir. |
| 4 | Weer werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw eigen lichaam wordt geboren, zal uw erfgenaam zijn. | And, behold, the word of the Lord came unto him, saying, This shall not be thine heir; but he that shall come forth out of thine own bowels shall be thine heir. |
| 5 | Hij voerde hem naar buiten, en sprak: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als ge dat kunt: zó talrijk zal uw nageslacht zijn, zeide Hij hem. | And he brought him forth abroad, and said, Look now toward heaven, and tell the stars, if thou be able to number them: and he said unto him, So shall thy seed be. |
| 6 | Hij geloofde in Jahweh, en Deze rekende het hem tot gerechtigheid aan. | And he believed in the Lord; and he counted it to him for righteousness. |
| 7 | Daarop sprak Hij tot hem: Ik ben Jahweh, die u uit Oer der Chaldeën heb geleid, om u dit land in eigendom te geven. | And he said unto him, I am the Lord that brought thee out of Ur of the Chaldees, to give thee this land to inherit it. |
| 8 | Hij antwoordde: Jahweh, mijn Heer, waaraan zal ik erkennen, dat ik het eens zal bezitten? | And he said, Lord God, whereby shall I know that I shall inherit it? |
| 9 | Hij zeide: Breng Mij een driejarige koe en een driejarigen bok en een driejarigen ram, met een tortel en een jonge duif. | And he said unto him, Take me an heifer of three years old, and a she goat of three years old, and a ram of three years old, and a turtledove, and a young pigeon. |
| 10 | Hij haalde die alle, sneed ze middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; maar de vogels sneed hij niet door. | And he took unto him all these, and divided them in the midst, and laid each piece one against another: but the birds divided he not. |
| 11 | En toen de roofvogels neerstreken op de dode rompen, joeg Abram ze weg. | And when the fowls came down upon the carcases, Abram drove them away. |
| 12 | Bij het ondergaan der zon werd Abram door een diepe slaap overvallen, en een sombere, geweldige angst greep hem aan. | And when the sun was going down, a deep sleep fell upon Abram; and, lo, an horror of great darkness fell upon him. |
| 13 | Toen sprak Hij tot Abram: Weet wel, dat uw nakomelingen als vreemden in een land zullen toeven, dat hun niet toebehoort. Zij zullen daar als slaven dienen, en men zal hen vierhonderd jaar lang verdrukken. | And he said unto Abram, Know of a surety that thy seed shall be a stranger in a land that is not theirs, and shall serve them; and they shall afflict them four hundred years; |
| 14 | Maar van het volk, dat zij als slaven dienen, zal Ik rekenschap eisen; en daarna zullen zij uittrekken met rijke buit. | And also that nation, whom they shall serve, will I judge: and afterward shall they come out with great substance. |
| 15 | Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan, en in hoge ouderdom worden begraven. | And thou shalt go to thy fathers in peace; thou shalt be buried in a good old age. |
| 16 | Eerst het vierde geslacht zal hier terugkeren; want eerder is de maat van de misdaden der Amorieten niet vol. | But in the fourth generation they shall come hither again: for the iniquity of the Amorites is not yet full. |
| 17 | En toen de zon was ondergegaan, en er een diepe duisternis heerste, verscheen er een rokende oven en een brandende fakkel; deze gingen tussen die stukken door. | And it came to pass, that, when the sun went down, and it was dark, behold a smoking furnace, and a burning lamp that passed between those pieces. |
| 18 | Op die dag sloot Jahweh met Abram het volgend verbond: Aan uw nakomelingschap geef Ik dit land in bezit van de beek van Egypte af tot aan de grote rivier de Eufraat; | In the same day the Lord made a covenant with Abram, saying, Unto thy seed have I given this land, from the river of Egypt unto the great river, the river Euphrates: |
| 19 | met de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten, | The Kenites, and the Kenizzites, and the Kadmonites, |
| 20 | de Chittieten, Perizzieten en Refaieten, | And the Hittites, and the Perizzites, and the Rephaims, |
| 21 | de Amorieten, Kanaänieten, Girgasjieten en Jeboesieten. | And the Amorites, and the Canaanites, and the Girgashites, and the Jebusites. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL