전도서 3장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 전도서 (Ecclesiastes) · 22절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Alles heeft zijn uur; Voor al wat er onder de hemel gebeurt, is er een vaste tijd: | To every thing there is a season, and a time to every purpose under the heaven: |
| 2 | Een tijd van baren, en een tijd van sterven; Een tijd van planten, en een tijd van ontwortelen; | A time to be born, and a time to die; a time to plant, and a time to pluck up that which is planted; |
| 3 | Een tijd van moorden, en een tijd van genezen; Een tijd van afbreken, en een tijd van opbouwen; | A time to kill, and a time to heal; a time to break down, and a time to build up; |
| 4 | Een tijd van schreien, en een tijd van lachen; Een tijd van rouwen, en een tijd van dansen. | A time to weep, and a time to laugh; a time to mourn, and a time to dance; |
| 5 | Een tijd van stenen wegwerpen, een tijd van stenen rapen; Een tijd van omhelzen, en een tijd van gescheiden zijn; | A time to cast away stones, and a time to gather stones together; a time to embrace, and a time to refrain from embracing; |
| 6 | Een tijd van zoeken, en een tijd van verliezen; Een tijd van bewaren, en een tijd van verspillen; | A time to get, and a time to lose; a time to keep, and a time to cast away; |
| 7 | Een tijd van scheuren, en een tijd van naaien; Een tijd van zwijgen, en een tijd van spreken; | A time to rend, and a time to sew; a time to keep silence, and a time to speak; |
| 8 | Een tijd van beminnen, en een tijd van haten; Een tijd van oorlog, en een tijd van vrede. | A time to love, and a time to hate; a time of war, and a time of peace. |
| 9 | Wat heeft de zwoeger dan nog voor nut Van de moeite, die hij zich getroost? | What profit hath he that worketh in that wherein he laboureth? |
| 10 | Ik begreep, hoe God aan de mensen hun taak heeft gegeven, Om er zich mee af te tobben. | I have seen the travail, which God hath given to the sons of men to be exercised in it. |
| 11 | Al wat Hij maakte, is goed op zijn tijd; En al heeft Hij ook de eeuwigheid gelegd in het hart van den mens, Toch kan de mens de daden van God Niet van het begin tot het einde doorgronden. | He hath made every thing beautiful in his time: also he hath set the world in their heart, so that no man can find out the work that God maketh from the beginning to the end. |
| 12 | Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan zich verheugen en zich te goed doen in het leven. | I know that there is no good in them, but for a man to rejoice, and to do good in his life. |
| 13 | Want als iemand kan eten en drinken En van al zijn zwoegen genieten, Dan is dat een gave van God! | And also that every man should eat and drink, and enjoy the good of all his labour, it is the gift of God. |
| 14 | Ik begreep, dat al wat God doet, voor altijd blijft; Daar kan men niets aan toevoegen of van afdoen: God maakt het zo, dat men Hem vreest. | I know that, whatsoever God doeth, it shall be for ever: nothing can be put to it, nor any thing taken from it: and God doeth it, that men should fear before him. |
| 15 | Wat thans bestaat, was er reeds lang; En wat er zijn zal, bestond al vroeger; Want God zoekt wat voorbij is, telkens weer op. | That which hath been is now; and that which is to be hath already been; and God requireth that which is past. |
| 16 | Ook zag ik onder de zon, Dat het onrecht zetelt op de plaats van het recht, En de boze op de plaats van den vrome. | And moreover I saw under the sun the place of judgment, that wickedness was there; and the place of righteousness, that iniquity was there. |
| 17 | Maar ik dacht bij mijzelf: Eens zal God den vrome en den boze richten; Want ieder ding en ieder werk heeft bij Hem zijn tijd. | I said in mine heart, God shall judge the righteous and the wicked: for there is a time there for every purpose and for every work. |
| 18 | Maar als ik mijn gedachten over de mensen liet gaan, Zag ik, dat zij wel door God zijn geschapen, Maar feitelijk gelijk zijn aan het dier; | I said in mine heart concerning the estate of the sons of men, that God might manifest them, and that they might see that they themselves are beasts. |
| 19 | Want mens en dier hebben hetzelfde lot. De één moet sterven even goed als de ander; Want beiden hebben zij dezelfde adem. De mens heeft niets vóór boven het dier; Waarachtig, alles is ijdelheid! | For that which befalleth the sons of men befalleth beasts; even one thing befalleth them: as the one dieth, so dieth the other; yea, they have all one breath; so that a man hath no preeminence above a beast: for all is vanity. |
| 20 | Zij gaan beiden naar dezelfde plaats; Beiden kwamen zij voort uit stof, En beiden keren zij terug tot stof. | All go unto one place; all are of the dust, and all turn to dust again. |
| 21 | Wie weet of ‘s mensen levensadem opstijgt naar boven, En die van het dier naar beneden gaat in de grond? | Who knoweth the spirit of man that goeth upward, and the spirit of the beast that goeth downward to the earth? |
| 22 | Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan te genieten van zijn werken; want dat komt hem toe. Wie toch kan hem zekerheid geven Van wat de toekomst hem brengt? | Wherefore I perceive that there is nothing better, than that a man should rejoice in his own works; for that is his portion: for who shall bring him to see what shall be after him? |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL