잠언 6장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 잠언 (Proverbs) · 35절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde, | My son, if thou be surety for thy friend, if thou hast stricken thy hand with a stranger, |
| 2 | Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen: | Thou art snared with the words of thy mouth, thou art taken with the words of thy mouth. |
| 3 | Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste; | Do this now, my son, and deliver thyself, when thou art come into the hand of thy friend; go, humble thyself, and make sure thy friend. |
| 4 | Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap; | Give not sleep to thine eyes, nor slumber to thine eyelids. |
| 5 | Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar. | Deliver thyself as a roe from the hand of the hunter, and as a bird from the hand of the fowler. |
| 6 | Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs! | Go to the ant, thou sluggard; consider her ways, and be wise: |
| 7 | Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser, | Which having no guide, overseer, or ruler, |
| 8 | Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen. | Provideth her meat in the summer, and gathereth her food in the harvest. |
| 9 | Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap? | How long wilt thou sleep, O sluggard? when wilt thou arise out of thy sleep? |
| 10 | Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar: | Yet a little sleep, a little slumber, a little folding of the hands to sleep: |
| 11 | En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover! | So shall thy poverty come as one that travelleth, and thy want as an armed man. |
| 12 | Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal; | A naughty person, a wicked man, walketh with a froward mouth. |
| 13 | Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers; | He winketh with his eyes, he speaketh with his feet, he teacheth with his fingers; |
| 14 | Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt! | Frowardness is in his heart, he deviseth mischief continually; he soweth discord. |
| 15 | Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel. | Therefore shall his calamity come suddenly; suddenly shall he be broken without remedy. |
| 16 | Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw: | These six things doth the Lord hate: yea, seven are an abomination unto him: |
| 17 | Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten; | A proud look, a lying tongue, and hands that shed innocent blood, |
| 18 | Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden; | An heart that deviseth wicked imaginations, feet that be swift in running to mischief, |
| 19 | Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt. | A false witness that speaketh lies, and he that soweth discord among brethren. |
| 20 | Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde; | My son, keep thy father’s commandment, and forsake not the law of thy mother: |
| 21 | Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals. | Bind them continually upon thine heart, and tie them about thy neck. |
| 22 | Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt. | When thou goest, it shall lead thee; when thou sleepest, it shall keep thee; and when thou awakest, it shall talk with thee. |
| 23 | Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven. | For the commandment is a lamp; and the law is light; and reproofs of instruction are the way of life: |
| 24 | Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde. | To keep thee from the evil woman, from the flattery of the tongue of a strange woman. |
| 25 | Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden; | Lust not after her beauty in thine heart; neither let her take thee with her eyelids. |
| 26 | Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven | For by means of a whorish woman a man is brought to a piece of bread: and the adulteress will hunt for the precious life. |
| 27 | Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit; | Can a man take fire in his bosom, and his clothes not be burned? |
| 28 | Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt? | Can one go upon hot coals, and his feet not be burned? |
| 29 | Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af. | So he that goeth in to his neighbour’s wife; whosoever toucheth her shall not be innocent. |
| 30 | Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft; | Men do not despise a thief, if he steal to satisfy his soul when he is hungry; |
| 31 | Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft. | But if he be found, he shall restore sevenfold; he shall give all the substance of his house. |
| 32 | Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen; | But whoso committeth adultery with a woman lacketh understanding: he that doeth it destroyeth his own soul. |
| 33 | Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt. | A wound and dishonour shall he get; and his reproach shall not be wiped away. |
| 34 | Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien; | For jealousy is the rage of a man: therefore he will not spare in the day of vengeance. |
| 35 | Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel! | He will not regard any ransom; neither will he rest content, though thou givest many gifts. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL