욥기 7장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 욥기 (Job) · 21절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Heeft de mens niet een krijgsdienst op aarde, Gelijken zijn dagen niet op die van een knecht? | Is there not an appointed time to man upon earth? are not his days also like the days of an hireling? |
| 2 | Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten: | As a servant earnestly desireth the shadow, and as an hireling looketh for the reward of his work: |
| 3 | Zo werden maanden van ellende mijn deel, En nachten van lijden mijn lot; | So am I made to possess months of vanity, and wearisome nights are appointed to me. |
| 4 | Ga ik slapen, dan denk ik: wanneer wordt het dag, Als ik opsta: wanneer wordt het avond? Maar de avond blijft zich eindeloos rekken, En ik blijf vol onrust tot aan de morgen; | When I lie down, I say, When shall I arise, and the night be gone? and I am full of tossings to and fro unto the dawning of the day. |
| 5 | Mijn vlees is met maden en korsten bedekt, Mijn huid splijt open en draagt; | My flesh is clothed with worms and clods of dust; my skin is broken, and become loathsome. |
| 6 | Mijn dagen zijn sneller dan een weversspoel, En lopen af, bij gebrek aan draad. | My days are swifter than a weaver’s shuttle, and are spent without hope. |
| 7 | Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen; | O remember that my life is wind: mine eye shall no more see good. |
| 8 | Dat het oog van hem, die mij ziet, mij niet meer zal speuren, En wanneer gij uw blik op mij richt, ik er niet meer zal zijn. | The eye of him that hath seen me shall see me no more: thine eyes are upon me, and I am not. |
| 9 | Zoals een wolk vervliegt en verdwijnt, Zo stijgt, die in het dodenrijk daalt, er niet meer uit op; | As the cloud is consumed and vanisheth away: so he that goeth down to the grave shall come up no more. |
| 10 | Hij keert naar zijn huis niet meer terug, En zijn eigen woonplaats kent hem niet langer! | He shall return no more to his house, neither shall his place know him any more. |
| 11 | En daarom zal ik mijn mond niet snoeren, Maar spreken in de benauwdheid van mijn geest, En klagen in de bitterheid van mijn ziel: Gij dwingt mij er toe! | Therefore I will not refrain my mouth; I will speak in the anguish of my spirit; I will complain in the bitterness of my soul. |
| 12 | Ik ben toch geen zee, of geen monster der zee Dat gij mij een slot oplegt! | Am I a sea, or a whale, that thou settest a watch over me? |
| 13 | Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten: | When I say, My bed shall comfort me, my couch shall ease my complaint; |
| 14 | Dan gaat Gij mij door dromen verschrikken, En jaagt mij door visioenen ontsteltenis aan; | Then thou scarest me with dreams, and terrifiest me through visions: |
| 15 | Zodat ik nog liever word gewurgd, En de dood boven mijn smarten verkies. | So that my soul chooseth strangling, and death rather than my life. |
| 16 | Ik verdwijn, ik blijf niet altijd in leven, Laat mij met rust, want mijn dagen zijn enkel een zucht! | I loathe it; I would not live alway: let me alone; for my days are vanity. |
| 17 | Wat is de mens, dat Gij zoveel belang in hem stelt, En hem uw aandacht blijft wijden; | What is man, that thou shouldest magnify him? and that thou shouldest set thine heart upon him? |
| 18 | Dat Gij morgen aan morgen hem nagaat, En hem elk ogenblik toetst? | And that thou shouldest visit him every morning, and try him every moment? |
| 19 | Wanneer wendt Gij eindelijk eens uw oog van mij af, En laat Gij mij tijd, om mijn speeksel te slikken? | How long wilt thou not depart from me, nor let me alone till I swallow down my spittle? |
| 20 | Heb ik gezondigd: wat deed ik U, Gij Mensenbewaker! Waarom hebt Gij mij tot uw mikpunt gemaakt, En ben ik U maar tot last; | I have sinned; what shall I do unto thee, O thou preserver of men? why hast thou set me as a mark against thee, so that I am a burden to myself? |
| 21 | Waarom niet liever mijn zonde vergeven, En mijn misdaad vergeten? Want weldra lig ik neer in het stof: Dan kunt Gij me zoeken, maar ik ben er niet meer! | And why dost thou not pardon my transgression, and take away mine iniquity? for now shall I sleep in the dust; and thou shalt seek me in the morning, but I shall not be. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL