욥기 19장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 욥기 (Job) · 29절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Job antwoordde, en sprak: | Then Job answered and said, |
| 2 | Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren? | How long will ye vex my soul, and break me in pieces with words? |
| 3 | Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos. | These ten times have ye reproached me: ye are not ashamed that ye make yourselves strange to me. |
| 4 | Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen; | And be it indeed that I have erred, mine error remaineth with myself. |
| 5 | Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten! | If indeed ye will magnify yourselves against me, and plead against me my reproach: |
| 6 | Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt! | Know now that God hath overthrown me, and hath compassed me with his net. |
| 7 | Zie, ik roep: "Geweld!" maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht! | Behold, I cry out of wrong, but I am not heard: I cry aloud, but there is no judgment. |
| 8 | Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd; | He hath fenced up my way that I cannot pass, and he hath set darkness in my paths. |
| 9 | Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt. | He hath stripped me of my glory, and taken the crown from my head. |
| 10 | Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom, | He hath destroyed me on every side, and I am gone: and mine hope hath he removed like a tree. |
| 11 | Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld. | He hath also kindled his wrath against me, and he counteth me unto him as one of his enemies. |
| 12 | Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade! | His troops come together, and raise up their way against me, and encamp round about my tabernacle. |
| 13 | Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij; | He hath put my brethren far from me, and mine acquaintance are verily estranged from me. |
| 14 | Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten. | My kinsfolk have failed, and my familiar friends have forgotten me. |
| 15 | Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar; | They that dwell in mine house, and my maids, count me for a stranger: I am an alien in their sight. |
| 16 | Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om. | I called my servant, and he gave me no answer; I intreated him with my mouth. |
| 17 | Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen; | My breath is strange to my wife, though I intreated for the children’s sake of mine own body. |
| 18 | Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed. | Yea, young children despised me; I arose, and they spake against me. |
| 19 | Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af; | All my inward friends abhorred me: and they whom I loved are turned against me. |
| 20 | Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af. | My bone cleaveth to my skin and to my flesh, and I am escaped with the skin of my teeth. |
| 21 | Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt; | Have pity upon me, have pity upon me, O ye my friends; for the hand of God hath touched me. |
| 22 | Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees! | Why do ye persecute me as God, and are not satisfied with my flesh? |
| 23 | O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek, | Oh that my words were now written! oh that they were printed in a book! |
| 24 | Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift: | That they were graven with an iron pen and lead in the rock for ever! |
| 25 | Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt; | For I know that my redeemer liveth, and that he shall stand at the latter day upon the earth: |
| 26 | Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen! | And though after my skin worms destroy this body, yet in my flesh shall I see God: |
| 27 | Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot, | Whom I shall see for myself, and mine eyes shall behold, and not another; though my reins be consumed within me. |
| 28 | En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden; | But ye should say, Why persecute we him, seeing the root of the matter is found in me? |
| 29 | Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is! | Be ye afraid of the sword: for wrath bringeth the punishments of the sword, that ye may know there is a judgment. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL