요한계시록 9장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 요한계시록 (Revelation) · 21절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | De vijfde engel blies: Toen zag ik een ster, die uit de hemel op aarde was neergevallen; en haar werd de sleutel gegeven van de put van de Afgrond. | And the fifth angel sounded, and I saw a star fall from heaven unto the earth: and to him was given the key of the bottomless pit. |
| 2 | Ze opende de put van de Afgrond; rook steeg op uit de put als de rook van een geweldige oven; de zon en de lucht werden verduisterd door de rook uit de put. | And he opened the bottomless pit; and there arose a smoke out of the pit, as the smoke of a great furnace; and the sun and the air were darkened by reason of the smoke of the pit. |
| 3 | En uit de rook stegen sprinkhanen op en streken neer op de aarde. En er werd hun een macht gegeven, zoals aardse schorpioenen die hebben. | And there came out of the smoke locusts upon the earth: and unto them was given power, as the scorpions of the earth have power. |
| 4 | Maar er werd hun gezegd, dat ze het gras der aarde niet mochten beschadigen, geen groen en geen boom, doch enkel de mensen, die op het voorhoofd niet dragen het zegel van God. | And it was commanded them that they should not hurt the grass of the earth, neither any green thing, neither any tree; but only those men which have not the seal of God in their foreheads. |
| 5 | Niet werd hun vergund, ze te doden, maar wèl ze te kwellen vijf maanden lang; hun kwelling is pijnlijk als van een schorpioen, als hij een mens steekt. | And to them it was given that they should not kill them, but that they should be tormented five months: and their torment was as the torment of a scorpion, when he striketh a man. |
| 6 | In die dagen zullen de mensen de dood zoeken, maar hem niet vinden; smachten zullen ze om te sterven, maar de dood vliedt henen van hen. | And in those days shall men seek death, and shall not find it; and shall desire to die, and death shall flee from them. |
| 7 | De sprinkhanen nu zagen er uit als paarden, toegerust tot de strijd. Op hun koppen droegen ze kronen als van goud; hun gezichten waren als die van een mens; | And the shapes of the locusts were like unto horses prepared unto battle; and on their heads were as it were crowns like gold, and their faces were as the faces of men. |
| 8 | hun haren gelijk aan vrouwenharen; hun tanden gelijk aan leeuwentanden. | And they had hair as the hair of women, and their teeth were as the teeth of lions. |
| 9 | Ze droegen borstharnassen als ijzeren pantsers, en het geluid hunner vleugels was als het daveren van wagens met veel paarden, oprukkend ten strijd. | And they had breastplates, as it were breastplates of iron; and the sound of their wings was as the sound of chariots of many horses running to battle. |
| 10 | Als schorpioenen droegen ze staarten met angels, en in die staarten de macht, om de mensen te schaden, vijf maanden lang. | And they had tails like unto scorpions, and there were stings in their tails: and their power was to hurt men five months. |
| 11 | Tot koning over zich hebben ze den Engel van de Afgrond: zijn naam is "Abaddon" in ‘t hebreeuws, "Apollion" is zijn naam in ‘t grieks. | And they had a king over them, which is the angel of the bottomless pit, whose name in the Hebrew tongue is Abaddon, but in the Greek tongue hath his name Apollyon. |
| 12 | Het eerste "Wee!" is voorbij: zie nog twee "Weeën" komen hierna. | One woe is past; and, behold, there come two woes more hereafter. |
| 13 | De zesde engel blies: En ik hoorde een stem uit de vier hoornen van het gouden altaar, dat staat voor het aanschijn van God. | And the sixth angel sounded, and I heard a voice from the four horns of the golden altar which is before God, |
| 14 | Ze riep tot den zesden engel met de bazuin: Laat los de vier engelen, die bij de grote rivier de Eufraat zijn gebonden! | Saying to the sixth angel which had the trumpet, Loose the four angels which are bound in the great river Euphrates. |
| 15 | En losgelaten werden de vier engelen, die zich gereed hadden gemaakt voor het uur en de dag, de maand en het jaar, om het derde deel der mensen te doden. | And the four angels were loosed, which were prepared for an hour, and a day, and a month, and a year, for to slay the third part of men. |
| 16 | Ik hoorde hun getal: Het getal der bereden strijdkrachten was twintigduizend maal tienduizend. | And the number of the army of the horsemen were two hundred thousand thousand: and I heard the number of them. |
| 17 | Zó zag ik in het visioen de paarden en hun berijders: ze droegen harnassen, vuurrood, paars, zwavelgrauw; de koppen der paarden waren als koppen van leeuwen; vuur, rook en zwavel kwam uit hun bek. | And thus I saw the horses in the vision, and them that sat on them, having breastplates of fire, and of jacinth, and brimstone: and the heads of the horses were as the heads of lions; and out of their mouths issued fire and smoke and brimstone. |
| 18 | Door deze drie plagen werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, de rook en de zwavel uit hun bek. | By these three was the third part of men killed, by the fire, and by the smoke, and by the brimstone, which issued out of their mouths. |
| 19 | Want de macht der paarden ligt in hun bek, maar tegelijk in hun staarten; immers hun staarten zijn slangen gelijk, en van koppen voorzien: ook hiermee brengen ze letsel toe. | For their power is in their mouth, and in their tails: for their tails were like unto serpents, and had heads, and with them they do hurt. |
| 20 | En de rest van de mensen, die door deze plagen niet werden gedood, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen, van de aanbidding der duivels, en der beelden van goud, zilver en koper, steen en hout, die niet kunnen zien, niet horen, niet gaan; | And the rest of the men which were not killed by these plagues yet repented not of the works of their hands, that they should not worship devils, and idols of gold, and silver, and brass, and stone, and of wood: which neither can see, nor hear, nor walk: |
| 21 | ze bekeerden zich niet van hun moorden, hun toverij, hun ontucht en diefstal. | Neither repented they of their murders, nor of their sorceries, nor of their fornication, nor of their thefts. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL