역대상 2장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 역대상 (1 Chronicles) · 55절
- 1 Hier volgen de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issakar, Zabulon,
- 2 Dan, Josef, Benjamin, Neftali, Gad en Aser.
- 3 De zonen van Juda waren Er, Onan en Sjela; deze drie werden hem geschonken door Bat-Sjóea, de kanaänietische. Er, Juda’s oudste zoon, deugde niet in Jahweh’s ogen; daarom strafte Hij hem met de dood.
- 4 Zijn schoondochter Tamar schonk hem Fáres en Zara. Juda had dus in het geheel vijf kinderen.
- 5 De zonen van Fáres waren Chesron en Chamoel.
- 6 De zonen van Zara waren: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Déra; in het geheel vijf.
- 7 De zoon van Zimri was Karmi; de zoon van Karmi was Akar, die Israël in het verderf stortte, omdat hij zich aan de ban vergreep.
- 8 De zoon van Etan was Azarja.
- 9 De zonen, die Chesron kreeg, waren Jerachmeël, Ram en Keloebai.
- 10 Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Naässon, het opperhoofd der Judeërs;
- 11 Naässon verwekte Salma; Salma verwekte Bóoz,
- 12 Bóoz verwekte Obed; Obed verwekte Jesse.
- 13 Jesse verwekte Eliab zijn eerstgeborene, Abinadab zijn tweede, Sjima zijn derde,
- 14 Netanel zijn vierde, Raddai zijn vijfde,
- 15 Osem zijn zesde, en David zijn zevende zoon.
- 16 Hun zusters heetten Seroeja en Abigáil. De zonen van Seroeja waren Absjai, Joab en Asaël, in het geheel drie.
- 17 Abigáil bracht Amasa ter wereld; de vader van Amasa was Jéter, de Jisjmaëliet.
- 18 Kaleb, de zoon van Chesron, kreeg van zijn vrouw Azoeba een dochter, Jeriot genaamd; haar zonen waren: Jésjer, Sjobab en Ardon.
- 19 Na de dood van Azoeba trouwde Kaleb met Efrat; deze schonk hem Choer.
- 20 Choer verwekte Oeri, Oeri verwekte Besalel.
- 21 Later hield Chesron gemeenschap met de dochter van Makir, den stamvader van Gilad; hij huwde haar, ofschoon hij al zestig was, en zij schonk hem Segoeb.
- 22 Segoeb verwekte Jaïr; hij beschikte over drie en twintig steden in het land Gilad.
- 23 Maar Gesjoer en Aram ontnamen hun de kampementen van Jaïr, namelijk Kenat met bijbehorende plaatsen; in het geheel zestig plaatsen, allemaal stichtingen van Makir, den stamvader van Gilad.
- 24 Na de dood van Chesron hield Kaleb gemeenschap met de vrouw van zijn vader Chesron, en zij schonk hem Asjchoer, den stichter van Tekóa.
- 25 De zonen van Jerachmeël, den oudsten zoon van Chesron waren: Ram, de oudste, en zijn broers Boena, Oren, en Osem.
- 26 Ook had Jerachmeël nog een andere vrouw, die Atara heette; zij was de moeder van Onam.
- 27 De zonen van Ram, den oudsten zoon van Jerachmeël, waren: Máas, Jamin en Éker.
- 28 De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjoer.
- 29 De vrouw van Abisjoer heette Abicháil; zij schonk hem Achban en Molid.
- 30 De zonen van Nadab waren Séled en Appáim. Séled stierf zonder kinderen,
- 31 maar Appáim verwekte Jisji. De zoon van Jisji was Sjesjan. De zoon van Sjesjan was Achlai.
- 32 De zonen van Jada, den broer van Sjammai, waren Jéter en Jonatan. Jéter stierf zonder kinderen,
- 33 maar Jonatan verwekte Pélet en Zaza. Dit waren de afstammelingen van Jerachmeël.
- 34 Sjesjan had alleen maar dochters, geen zonen. Sjesjan bezat echter een egyptischen slaaf, die Jarcha heette;
- 35 daarom gaf Sjesjan zijn dochter tot vrouw aan zijn slaaf Jarcha; zij schonk hem Attai.
- 36 Attai verwekte Natan; Natan verwekte Zabad;
- 37 Zabad verwekte Eflal; Eflal verwekte Obed;
- 38 Obed verwekte Jehoe; Jehoe verwekte Azarja;
- 39 Azarja verwekte Chéles; Chéles verwekte Elasa;
- 40 Elasa verwekte Sismai; Sismai verwekte Sjalloem;
- 41 Sjalloem verwekte Jekamja; Jekamja verwekte Elisjama.
- 42 De oudste zoon van Kaleb, den broer van Jerachmeël, was Mesja; deze was de vader van Zif en van de zonen van Maresja, den vader van Hebron.
- 43 De zonen van Hebron waren Kórach, Tappóeach, Rékem en Sjéma.
- 44 Sjéma verwekte Rácham, den vader van Jorkeam; Rékem verwekte Sjammai.
- 45 De zoon van Sjammai was Maon; Maon was de vader van Bet-Soer.
- 46 Efa, de bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Jodai.
- 47 De zonen van Jodai waren: Régem, Jotam, Gesjan, Pélet, Efa en Sjáaf.
- 48 Maäka, een bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Sjéber en Tirchana;
- 49 ook baarde zij Sjáaf, den vader van Madmanna, en Sjewa, den vader van Makbena en Giba. Aksa was de dochter van Kaleb.
- 50 Dit waren de afstammelingen van Kaleb. De zonen van Choer, den oudsten zoon van Efrat, waren Sjobal de vader van Kirjat-Jearim,
- 51 Salma de vader van Betlehem, en Charef de vader van Bet-Gader.
- 52 Sjobal, de vader van Kirjat-Jearim, had nog andere kinderen, namelijk: Reaja, het halve geslacht Manáchat.
- 53 In Kirjat-Jearim woonden de volgende geslachten: dat van Jéter, van Poet, van Sjoema en van Misjra; hieruit kwamen weer de lieden van Sora en Esjtaol voort.
- 54 De zonen van Salma waren Betlehem, het geslacht van Netofa, Atrot-Bet-Joab, het halve geslacht Manáchat, de Sorieten,
- 55 en de geslachten der schriftgeleerden, die te Jabes woonden, namelijk die van Tira, van Sjima en van Sjoeka. Dit waren de Kinieten, die van Chammat afstammen, den vader van de familie Rekab.
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- KJV 와 나란히
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗