사도행전 2장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 사도행전 (Acts) · 47절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Toen de dag van het pinksterfeest was aangebroken, waren ze allen op één plaats bijeen. | And when the day of Pentecost was fully come, they were all with one accord in one place. |
| 2 | Eensklaps kwam er een geruis uit de hemel als van een hevige windvlaag, en vulde het hele huis, waar ze waren vergaderd. | And suddenly there came a sound from heaven as of a rushing mighty wind, and it filled all the house where they were sitting. |
| 3 | Vurige tongen verschenen hun, spreidden zich rond, en zetten zich op ieder van hen neer. | And there appeared unto them cloven tongues like as of fire, and it sat upon each of them. |
| 4 | Allen werden vervuld van den Heiligen Geest, en begonnen verschillende talen te spreken, naar gelang de Geest hen liet spreken. | And they were all filled with the Holy Ghost, and began to speak with other tongues, as the Spirit gave them utterance. |
| 5 | Nu vertoefden er te Jerusalem godvrezende Joden uit alle volken onder de hemel. | And there were dwelling at Jerusalem Jews, devout men, out of every nation under heaven. |
| 6 | Bij dat geruis liepen de mensen te hoop; ze stonden verwonderd, dat iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken. | Now when this was noised abroad, the multitude came together, and were confounded, because that every man heard them speak in his own language. |
| 7 | Ze raakten buiten zichzelf van verbazing, en zeiden: Zie, zijn allen, die daar spreken, geen Galileërs? | And they were all amazed and marvelled, saying one to another, Behold, are not all these which speak Galileans? |
| 8 | En hoe horen wij allen ze dan in onze eigen moedertaal spreken? | And how hear we every man in our own tongue, wherein we were born? |
| 9 | Parten, Meden en Elamieten; bewoners van Mesopotámië, Judea en Kappadócië, van Pontus en Azië, | Parthians, and Medes, and Elamites, and the dwellers in Mesopotamia, and in Judea, and Cappadocia, in Pontus, and Asia, |
| 10 | van Frúgië en Pamfúlië, van Egypte en de streken van Lybië bij Cyrene: romeinse kolonisten, | Phrygia, and Pamphylia, in Egypt, and in the parts of Libya about Cyrene, and strangers of Rome, Jews and proselytes, |
| 11 | Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren: we horen ze in onze eigen taal Gods grote werken verkondigen. | Cretes and Arabians, we do hear them speak in our tongues the wonderful works of God. |
| 12 | Allen stonden verbaasd en in twijfel. Sommigen zeiden tot elkander: Wat zou dat betekenen? | And they were all amazed, and were in doubt, saying one to another, What meaneth this? |
| 13 | Maar anderen zeiden spottend: Ze zijn dronken van zoete wijn. | Others mocking said, These men are full of new wine. |
| 14 | Toen stond Petrus op, omringd van al de elf; hij verhief zijn stem, en sprak hun toe: Joodse mannen, en gij allen, die in Jerusalem woont: Dit moet gij weten; geeft acht op mijn woorden. | But Peter, standing up with the eleven, lifted up his voice, and said unto them, Ye men of Judea, and all ye that dwell at Jerusalem, be this known unto you, and hearken to my words: |
| 15 | Neen, deze mannen zijn niet dronken, zoals gij vermoedt; want het is eerst het derde uur van de dag. | For these are not drunken, as ye suppose, seeing it is but the third hour of the day. |
| 16 | Maar hier geschiedt, wat door den profeet Joël voorzegd is: | But this is that which was spoken by the prophet Joel; |
| 17 | En het zal geschieden op het einde der dagen, zegt God "Ik zal uitstorten van mijn Geest over alle vlees; Uw zonen en dochters zullen profeteren, Uw jonge mannen visioenen schouwen, Uw grijsaards dromen ontvangen; | And it shall come to pass in the last days, saith God, I will pour out of my Spirit upon all flesh: and your sons and your daughters shall prophesy, and your young men shall see visions, and your old men shall dream dreams: |
| 18 | Zelfs over mijn slaven en slavinnen in die dagen, Stort Ik uit van mijn Geest, en ze zullen profeteren. | And on my servants and on my handmaidens I will pour out in those days of my Spirit; and they shall prophesy: |
| 19 | Ik zal wonderen doen in de hemel daar boven, En tekenen op de aarde beneden: Bloed en vuur, en walm van rook. | And I will shew wonders in heaven above, and signs in the earth beneath; blood, and fire, and vapour of smoke: |
| 20 | De zon zal in duisternis verkeren, de maan in bloed, Voordat de Dag des Heren komt, Groot en heerlijk. | The sun shall be turned into darkness, and the moon into blood, before that great and notable day of the Lord come: |
| 21 | Dan zal iedereen worden gered, Die de naam des Heren aanroept! | And it shall come to pass, that whosoever shall call on the name of the Lord shall be saved. |
| 22 | Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jesus van Názaret, een man, voor wien God bij u heeft getuigd door krachten en wonderen en tekenen, welke God, zo gij weet, door Hem in uw midden verrichtte: | Ye men of Israel, hear these words; Jesus of Nazareth, a man approved of God among you by miracles and wonders and signs, which God did by him in the midst of you, as ye yourselves also know: |
| 23 | Hem hebt gij overgeleverd naar het vaste raadsbesluit en de voorkennis Gods, en door de hand van heidenen aan het kruis geslagen en gedood. | Him, being delivered by the determinate counsel and foreknowledge of God, ye have taken, and by wicked hands have crucified and slain: |
| 24 | Maar God heeft Hem opgewekt, en verbroken de strikken van de dood; daar het niet mogelijk was, dat deze Hem vasthield. | Whom God hath raised up, having loosed the pains of death: because it was not possible that he should be holden of it. |
| 25 | Want David zeide van Hem: "Den Heer hield ik altijd voor ogen; Want Hij staat mij ter zijde, opdat ik niet wankele | For David speaketh concerning him, I foresaw the Lord always before my face, for he is on my right hand, that I should not be moved: |
| 26 | Daarom verheugt zich mijn hart, En jubelt mijn tong; Ook mijn vlees zal rusten vol hoop, | Therefore did my heart rejoice, and my tongue was glad; moreover also my flesh shall rest in hope: |
| 27 | Want Gij laat mijn ziel niet in het dodenrijk achter. Uw Heilige laat Gij het bederf niet aanschouwen, | Because thou wilt not leave my soul in hell, neither wilt thou suffer thine Holy One to see corruption. |
| 28 | Gij hebt mij de wegen van het leven getoond; Gij zult mij van vreugde vervullen Door uw aanschijn! | Thou hast made known to me the ways of life; thou shalt make me full of joy with thy countenance. |
| 29 | Mannen broeders, van den aartsvader David mag men u zeker wel openlijk zeggen, dat hij èn gestorven is én begraven; zijn graf staat in ons midden tot op de huidige dag. | Men and brethren, let me freely speak unto you of the patriarch David, that he is both dead and buried, and his sepulchre is with us unto this day. |
| 30 | Maar hij was een profeet; en hij wist, dat God hem onder ede beloofd had, een uit de vrucht zijner lende op zijn troon te doen zetelen. | Therefore being a prophet, and knowing that God had sworn with an oath to him, that of the fruit of his loins, according to the flesh, he would raise up Christ to sit on his throne; |
| 31 | En daar hij de toekomst voorzag, heeft hij over de verrijzenis van den Christus gezegd, dat Hij niet in het dodenrijk zou worden achtergelaten, en dat zijn vlees het bederf niet zou zien. | He seeing this before spake of the resurrection of Christ, that his soul was not left in hell, neither his flesh did see corruption. |
| 32 | Welnu, dezen Jesus heeft God doen verrijzen; daarvan zijn wij allen getuigen. | This Jesus hath God raised up, whereof we all are witnesses. |
| 33 | En nu Hij, verheven aan Gods rechterhand, van den Vader den beloofden Heiligen Geest heeft ontvangen, nu heeft Hij Dien ook uitgestort, zoals gij ziet en hoort. | Therefore being by the right hand of God exalted, and having received of the Father the promise of the Holy Ghost, he hath shed forth this, which ye now see and hear. |
| 34 | David is niet ten hemel gestegen; toch zegt hij het zelf: "De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, | For David is not ascended into the heavens: but he saith himself, The Lord said unto my Lord, Sit thou on my right hand, |
| 35 | Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten." | Until I make thy foes thy footstool. |
| 36 | Heel het huis van Israël zij er dus van doordrongen, dat God dienzelfden Jesus, dien gij hebt gekruisigd, tot Heer en Christus heeft gesteld. | Therefore let all the house of Israel know assuredly, that God hath made that same Jesus, whom ye have crucified, both Lord and Christ. |
| 37 | Toen ze dit hoorden, werden ze diep getroffen; en ze zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Mannen broeders, wat moeten we doen? | Now when they heard this, they were pricked in their heart, and said unto Peter and to the rest of the apostles, Men and brethren, what shall we do? |
| 38 | Petrus zei hun: Bekeert u allen, en laat u dopen in de naam van Jesus Christus, tot vergiffenis uwer zonden; dan zult gij de gaven ontvangen van den Heiligen Geest. | Then Peter said unto them, Repent, and be baptized every one of you in the name of Jesus Christ for the remission of sins, and ye shall receive the gift of the Holy Ghost. |
| 39 | Want voor u is de belofte; ook voor uw kinderen, en voor allen die van verre zijn: voor allen, die de Heer onze God Zich zal roepen. | For the promise is unto you, and to your children, and to all that are afar off, even as many as the Lord our God shall call. |
| 40 | Met nog veel andere woorden legde hij getuigenis af; ook vermaande hij hen, en sprak: Redt u toch uit dit bedorven geslacht. | And with many other words did he testify and exhort, saying, Save yourselves from this untoward generation. |
| 41 | En zij, die zijn woord aanvaardden, ontvingen het doopsel; die dag traden er ongeveer drie duizend mensen toe. | Then they that gladly received his word were baptized: and the same day there were added unto them about three thousand souls. |
| 42 | Ze bleven volharden in de leer der apostelen en de onderlinge gemeenschap, in het breken des broods en in het gebed. | And they continued stedfastly in the apostles’ doctrine and fellowship, and in breaking of bread, and in prayers. |
| 43 | Allen leefden in vrees. De apostelen verrichtten vele wonderen en tekenen. | And fear came upon every soul: and many wonders and signs were done by the apostles. |
| 44 | En al de gelovigen waren ten nauwste vereend, en bezaten alles in gemeenschap. | And all that believed were together, and had all things common; |
| 45 | Ze verkochten have en goed, en verdeelden het onder elkander, naar ieders behoefte. | And sold their possessions and goods, and parted them to all men, as every man had need. |
| 46 | Iedere dag bezochten ze eendrachtig de tempel, en thuis braken ze het brood. Ze genoten hun voedsel in opgeruimdheid en eenvoud van hart. | And they, continuing daily with one accord in the temple, and breaking bread from house to house, did eat their meat with gladness and singleness of heart, |
| 47 | Ze loofden God, en stonden in gunst bij heel het volk. En de Heer bracht iedere dag meer geredden bijeen. | Praising God, and having favour with all the people. And the Lord added to the church daily such as should be saved. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL