마태복음 25장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 마태복음 (Matthew) · 46절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Dan zal het rijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, die haar lampen namen, om den bruidegom tegemoet te gaan. | Then shall the kingdom of heaven be likened unto ten virgins, which took their lamps, and went forth to meet the bridegroom. |
| 2 | Vijf van haar waren dwaas, en vijf waren wijs. | And five of them were wise, and five were foolish. |
| 3 | De dwaze namen wel haar lampen mee, doch geen olie. | They that were foolish took their lamps, and took no oil with them: |
| 4 | Maar de wijze namen met haar lampen ook olie in haar kruiken mee. | But the wise took oil in their vessels with their lamps. |
| 5 | Toen nu de bruidegom toefde, werden ze slaperig en sluimerden allemaal in. | While the bridegroom tarried, they all slumbered and slept. |
| 6 | Maar midden in de nacht werd er geroepen: Ziet, de bruidegom komt; gaat naar buiten, hem te gemoet. | And at midnight there was a cry made, Behold, the bridegroom cometh; go ye out to meet him. |
| 7 | Toen stonden al die maagden op, en brachten haar lampen in orde. | Then all those virgins arose, and trimmed their lamps. |
| 8 | Nu zeiden de dwaze tot de wijze: Geeft ons wat van uw olie; want onze lampen gaan uit. | And the foolish said unto the wise, Give us of your oil; for our lamps are gone out. |
| 9 | De wijze gaven ten antwoord: Neen, dan is er misschien niet genoeg voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers, en koopt voor uzelf. | But the wise answered, saying, Not so; lest there be not enough for us and you: but go ye rather to them that sell, and buy for yourselves. |
| 10 | Maar terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en zij die gereed waren, gingen met hem ter bruiloft in; en de deur werd gesloten. | And while they went to buy, the bridegroom came; and they that were ready went in with him to the marriage: and the door was shut. |
| 11 | Later kwamen ook de andere maagden, en zeiden: Heer, heer, doe ons open. | Afterward came also the other virgins, saying, Lord, Lord, open to us. |
| 12 | Maar hij antwoordde: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet. | But he answered and said, Verily I say unto you, I know you not. |
| 13 | Waakt dus, want gij kent dag noch uur. | Watch therefore, for ye know neither the day nor the hour wherein the Son of man cometh. |
| 14 | Het gaat er mee als met een mens, die naar het buitenland vertrok, zijn dienaars riep, en hun zijn bezittingen overdroeg. | For the kingdom of heaven is as a man travelling into a far country, who called his own servants, and delivered unto them his goods. |
| 15 | En aan den één gaf hij vijf talenten, den ander twee, een derde één; ieder volgens zijn bekwaamheid. Toen ging hij op reis. | And unto one he gave five talents, to another two, and to another one; to every man according to his several ability; and straightway took his journey. |
| 16 | Die nu de vijf talenten had ontvangen, ging aanstonds heen, dreef er handel mee. en won er vijf andere bij. | Then he that had received the five talents went and traded with the same, and made them other five talents. |
| 17 | Zo ook won hij, die er twee had ontvangen, er nog twee andere bij. | And likewise he that had received two, he also gained other two. |
| 18 | Maar die er één had ontvangen, ging heen, maakte een kuil in de grond, en verborg het geld van zijn heer. | But he that had received one went and digged in the earth, and hid his lord’s money. |
| 19 | Na lange tijd kwam de heer van die dienaars terug, en rekende met hen af. | After a long time the lord of those servants cometh, and reckoneth with them. |
| 20 | En hij, die de vijf talenten had ontvangen, trad naar voren, bracht nog vijf andere talenten, en zeide: Heer, vijf talenten hebt ge mij gegeven; zie, nog vijf heb ik er bijgewonnen. | And so he that had received five talents came and brought other five talents, saying, Lord, thou deliveredst unto me five talents: behold, I have gained beside them five talents more. |
| 21 | Zijn meester sprak tot hem: Heel best, goede en trouwe knecht; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga binnen in de vreugde uws heren. | His lord said unto him, Well done, thou good and faithful servant: thou hast been faithful over a few things, I will make thee ruler over many things: enter thou into the joy of thy lord. |
| 22 | Ook hij, die de twee talenten had ontvangen, trad naar voren, en zeide: Heer, twee talenten hebt ge mij gegeven: zie, nog twee heb ik er bijgewonnen. | He also that had received two talents came and said, Lord, thou deliveredst unto me two talents: behold, I have gained two other talents beside them. |
| 23 | Zijn meester sprak tot hem: Heel best, goede en trouwe knecht; over weinig zijt ge getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga binnen in de vreugde uws heren. | His lord said unto him, Well done, good and faithful servant; thou hast been faithful over a few things, I will make thee ruler over many things: enter thou into the joy of thy lord. |
| 24 | Nu trad ook hij naar voren, die het éne talent had ontvangen. Hij zeide: Heer, ik weet, dat ge een streng man zijt; ge maait, waar ge niet hebt gezaaid, en oogst, waar ge niet hebt uitgestrooid. | Then he which had received the one talent came and said, Lord, I knew thee that thou art an hard man, reaping where thou hast not sown, and gathering where thou hast not strawed: |
| 25 | Ik was dus bang, en ben uw talent in de grond gaan begraven; zie, daar hebt ge het uwe terug. | And I was afraid, and went and hid thy talent in the earth: lo, there thou hast that is thine. |
| 26 | Maar zijn meester antwoordde hem: Gij slechte en luie knecht; ge wist dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en dat ik oogst, waar ik niet heb uitgestrooid. | His lord answered and said unto him, Thou wicked and slothful servant, thou knewest that I reap where I sowed not, and gather where I have not strawed: |
| 27 | Ge hadt dus mijn geld bij de wisselaars moeten beleggen; dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben teruggekregen. | Thou oughtest therefore to have put my money to the exchangers, and then at my coming I should have received mine own with usury. |
| 28 | Neemt dus het talent van hem af, en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. | Take therefore the talent from him, and give it unto him which hath ten talents. |
| 29 | Want wie heeft, aan hem zal worden gegeven, en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden wat hij bezit. | For unto every one that hath shall be given, and he shall have abundance: but from him that hath not shall be taken away even that which he hath. |
| 30 | Werpt den onbruikbaren knecht naar buiten de duisternis in; daar zal geween zijn, en gekners der tanden. | And cast ye the unprofitable servant into outer darkness: there shall be weeping and gnashing of teeth. |
| 31 | Wanneer dan de Mensenzoon in zijn heerlijkheid komt, en alle engelen met Hem, zal Hij plaats nemen op de troon zijner majesteit. | When the Son of man shall come in his glory, and all the holy angels with him, then shall he sit upon the throne of his glory: |
| 32 | En alle volkeren zullen vóór Hem worden vergaderd: maar Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken. | And before him shall be gathered all nations: and he shall separate them one from another, as a shepherd divideth his sheep from the goats: |
| 33 | En de schapen zal Hij aan zijn rechterhand plaatsen, de bokken aan zijn linkerhand. | And he shall set the sheep on his right hand, but the goats on the left. |
| 34 | Dan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijn rechterhand staan: Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af. | Then shall the King say unto them on his right hand, Come, ye blessed of my Father, inherit the kingdom prepared for you from the foundation of the world: |
| 35 | Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig, en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij op. | For I was an hungred, and ye gave me meat: I was thirsty, and ye gave me drink: I was a stranger, and ye took me in: |
| 36 | Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; ziek, en gij hebt Mij bezocht: in de gevangenis, en gij zijt Mij komen bezoeken. | Naked, and ye clothed me: I was sick, and ye visited me: I was in prison, and ye came unto me. |
| 37 | Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heer, wanneer zagen we U hongerig, en spijsden we U: of dorstig, en gaven we U te drinken? | Then shall the righteous answer him, saying, Lord, when saw we thee an hungred, and fed thee? or thirsty, and gave thee drink? |
| 38 | Wanneer zagen we U als vreemdeling, en namen U op; of naakt, en hebben we U gekleed? | When saw we thee a stranger, and took thee in? or naked, and clothed thee? |
| 39 | Of wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis, en zijn we tot U gekomen? | Or when saw we thee sick, or in prison, and came unto thee? |
| 40 | Dan zal de Koning hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: Wat gij voor één van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij voor Mij gedaan. | And the King shall answer and say unto them, Verily I say unto you, Inasmuch as ye have done it unto one of the least of these my brethren, ye have done it unto me. |
| 41 | Maar dan zal Hij zeggen tot hen, die aan de linkerhand staan: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijn engelen. | Then shall he say also unto them on the left hand, Depart from me, ye cursed, into everlasting fire, prepared for the devil and his angels: |
| 42 | Want Ik was hongerig, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; dorstig, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. | For I was an hungred, and ye gave me no meat: I was thirsty, and ye gave me no drink: |
| 43 | Ik was vreemdeling, en gij naamt Mij niet op; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. | I was a stranger, and ye took me not in: naked, and ye clothed me not: sick, and in prison, and ye visited me not. |
| 44 | Dan zullen ook zij antwoorden: Heer, wanneer zagen we U hongerig of dorstig, vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis, en hielpen we U niet? | Then shall they also answer him, saying, Lord, when saw we thee an hungred, or athirst, or a stranger, or naked, or sick, or in prison, and did not minister unto thee? |
| 45 | Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u; wat gij niet hebt gedaan voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan. | Then shall he answer them, saying, Verily I say unto you, Inasmuch as ye did it not to one of the least of these, ye did it not to me. |
| 46 | Dan zullen zij gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. | And these shall go away into everlasting punishment: but the righteous into life eternal. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL