마태복음 18장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 마태복음 (Matthew) · 35절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Terzelfder tijd kwamen de leerlingen bij Jesus en zeiden: Wie is wel de grootste in het rijk der hemelen? | At the same time came the disciples unto Jesus, saying, Who is the greatest in the kingdom of heaven? |
| 2 | Jesus riep een kind naar Zich toe, plaatste het in hun midden. | And Jesus called a little child unto him, and set him in the midst of them, |
| 3 | en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan. | And said, Verily I say unto you, Except ye be converted, and become as little children, ye shall not enter into the kingdom of heaven. |
| 4 | Wie zich dus vernederen zal als dit kind, zal de grootste zijn in het rijk der hemelen. | Whosoever therefore shall humble himself as this little child, the same is greatest in the kingdom of heaven. |
| 5 | En wie zulk een kind opneemt in mijn naam, neemt Mij op. | And whoso shall receive one such little child in my name receiveth me. |
| 6 | Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken. | But whoso shall offend one of these little ones which believe in me, it were better for him that a millstone were hanged about his neck, and that he were drowned in the depth of the sea. |
| 7 | Wee de wereld om de ergernis. Zeker, het kan wel niet anders, of er moet ergernis komen; maar wee den mens, door wien de ergernis komt. | Woe unto the world because of offences! for it must needs be that offences come; but woe to that man by whom the offence cometh! |
| 8 | Welnu, zo uw hand of voet u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want het is beter voor u, verminkt of kreupel het Leven binnen te gaan, dan met twee handen of twee voeten geworpen te worden in het eeuwige vuur. | Wherefore if thy hand or thy foot offend thee, cut them off, and cast them from thee: it is better for thee to enter into life halt or maimed, rather than having two hands or two feet to be cast into everlasting fire. |
| 9 | En zo uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het weg; want het is beter voor u, met één oog het Leven binnen te gaan, dan met twee ogen geworpen te worden in het helse vuur. | And if thine eye offend thee, pluck it out, and cast it from thee: it is better for thee to enter into life with one eye, rather than having two eyes to be cast into hell fire. |
| 10 | Zorgt er voor, dat gij geen van deze kleine gering acht; want Ik zeg u: Hun engelen in de hemel zien altijd het aanschijn van mijn Vader, die in de hemel is. | Take heed that ye despise not one of these little ones; for I say unto you, That in heaven their angels do always behold the face of my Father which is in heaven. |
| 11 | (–) | For the Son of man is come to save that which was lost. |
| 12 | Wat dunkt u? Zo iemand honderd schapen heeft, en een daarvan van is verdwaald, laat hij dan niet de negen en negentig in het gebergte achter, om het éne te gaan zoeken, dat verdwaald is? | How think ye? if a man have an hundred sheep, and one of them be gone astray, doth he not leave the ninety and nine, and goeth into the mountains, and seeketh that which is gone astray? |
| 13 | En zo hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u: Hij verheugt zich over dat éne meer, dan over de negen en negentig, die niet zijn verdwaald. | And if so be that he find it, verily I say unto you, he rejoiceth more of that sheep, than of the ninety and nine which went not astray. |
| 14 | Zó is het ook de wil van uw Vader, die in de hemel is, dat géén van deze kleinen verloren gaat. | Even so it is not the will of your Father which is in heaven, that one of these little ones should perish. |
| 15 | Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben. | Moreover if thy brother shall trespass against thee, go and tell him his fault between thee and him alone: if he shall hear thee, thou hast gained thy brother. |
| 16 | Luistert hij niet naar u, neem dan nog één of twee personen mee, opdat door de mond van twee of drie getuigen de zaak haar beslag krijgt. | But if he will not hear thee, then take with thee one or two more, that in the mouth of two or three witnesses every word may be established. |
| 17 | Luistert hij ook niet naar hen, zeg het dan aan de Kerk; zo hij zelfs naar de Kerk niet luistert, dan zij hij u als een heiden en een tollenaar. | And if he shall neglect to hear them, tell it unto the church: but if he neglect to hear the church, let him be unto thee as an heathen man and a publican. |
| 18 | Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat gij zult binden op aarde, zal ook gebonden zijn in de hemel; en alles wat gij ontbinden zult op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel. | Verily I say unto you, Whatsoever ye shall bind on earth shall be bound in heaven: and whatsoever ye shall loose on earth shall be loosed in heaven. |
| 19 | Nog zeg Ik u: Zo twee van u op aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, dan zullen ze het verkrijgen van mijn Vader, die in de hemel is. | Again I say unto you, That if two of you shall agree on earth as touching any thing that they shall ask, it shall be done for them of my Father which is in heaven. |
| 20 | Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden. | For where two or three are gathered together in my name, there am I in the midst of them. |
| 21 | Nu kwam Petrus naar Hem toe, en sprak: Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven, die tegen mij misdoet? Tot zeven keer toe? | Then came Peter to him, and said, Lord, how oft shall my brother sin against me, and I forgive him? till seven times? |
| 22 | Jesus zei hem: Niet tot zeven keer toe, zeg Ik u; maar tot zeventig maal zeven keer. | Jesus saith unto him, I say not unto thee, Until seven times: but, Until seventy times seven. |
| 23 | Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaars. | Therefore is the kingdom of heaven likened unto a certain king, which would take account of his servants. |
| 24 | Toen hij met de afrekening was begonnen, bracht men er een binnen, die hem tienduizend talenten schuldig was. | And when he had begun to reckon, one was brought unto him, which owed him ten thousand talents. |
| 25 | Daar hij niets had om te betalen, beval zijn meester, hemzelf te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles, wat hij bezat, en zó de schuld te vereffenen. | But forasmuch as he had not to pay, his lord commanded him to be sold, and his wife, and children, and all that he had, and payment to be made. |
| 26 | Maar de knecht viel hem smekend te voet, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen. | The servant therefore fell down, and worshipped him, saying, Lord, have patience with me, and I will pay thee all. |
| 27 | De heer had medelijden met dien knecht, liet hem gaan, en schold hem de schuld kwijt. | Then the lord of that servant was moved with compassion, and loosed him, and forgave him the debt. |
| 28 | Maar toen die knecht was heengegaan, ontmoette hij een zijner medeknechten, die hem honderd tienlingen schuldig was; hij greep hem tot worgens toe bij de keel, en zeide: Betaal me wat ge schuldig zijt. | But the same servant went out, and found one of his fellowservants, which owed him an hundred pence: and he laid hands on him, and took him by the throat, saying, Pay me that thou owest. |
| 29 | Zijn medeknecht viel hem smekend te voet, en sprak: Heb geduld met mij, en ik zal u betalen. | And his fellowservant fell down at his feet, and besought him, saying, Have patience with me, and I will pay thee all. |
| 30 | De ander wilde dit niet, maar ging heen, en liet hem in de kerker werpen, totdat hij de schuld zou hebben betaald. | And he would not: but went and cast him into prison, till he should pay the debt. |
| 31 | Toen nu zijn medeknechten zagen wat er gebeurd was, werden ze diep bedroefd, en gingen hun meester alles vertellen. | So when his fellowservants saw what was done, they were very sorry, and came and told unto their lord all that was done. |
| 32 | Nu liet zijn heer hem roepen, en zei tot hem: Boze knecht, die hele schuld schold ik u kwijt, omdat ge het mij hebt gevraagd; | Then his lord, after that he had called him, said unto him, O thou wicked servant, I forgave thee all that debt, because thou desiredst me: |
| 33 | moest ook gij u dan niet ontfermen over uw medeknecht, zoals ikzelf mij over u heb ontfermd. | Shouldest not thou also have had compassion on thy fellowservant, even as I had pity on thee? |
| 34 | En in zijn toorn leverde de heer hem aan de beulen over, totdat hij de hele schuld zou hebben voldaan. | And his lord was wroth, and delivered him to the tormentors, till he should pay all that was due unto him. |
| 35 | Zo zal ook mijn hemelse Vader met u handelen, als gij niet allen uw broeder van harte vergeeft. | So likewise shall my heavenly Father do also unto you, if ye from your hearts forgive not every one his brother their trespasses. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL