누가복음 8장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 누가복음 (Luke) · 56절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Daarna ging Hij rond door steden en dorpen, om te preken en het koninkrijk Gods te verkondigen. Hij was vergezeld van het twaalftal, | And it came to pass afterward, that he went throughout every city and village, preaching and shewing the glad tidings of the kingdom of God: and the twelve were with him, |
| 2 | en van enige vrouwen, die van boze geesten en ziekten waren verlost: Maria, Magdalena geheten, uit wie zeven duivels waren uitgegaan. | And certain women, which had been healed of evil spirits and infirmities, Mary called Magdalene, out of whom went seven devils, |
| 3 | Johanna, de vrouw van Choesa, den hofmeester van Herodes. Susanna en vele anderen, die hun met haar vermogen ten dienste stonden. | And Joanna the wife of Chuza Herod’s steward, and Susanna, and many others, which ministered unto him of their substance. |
| 4 | Toen er eens een grote menigte bijeen was, daar men uit alle steden naar Hem was toegestroomd, sprak Hij in een gelijkenis: | And when much people were gathered together, and were come to him out of every city, he spake by a parable: |
| 5 | De zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; het werd vertrapt, en de vogels uit de lucht pikten het op. | A sower went out to sow his seed: and as he sowed, some fell by the way side; and it was trodden down, and the fowls of the air devoured it. |
| 6 | Een ander gedeelte viel op de rots: even kwam het op, maar verdorde, omdat het geen vocht had. | And some fell upon a rock; and as soon as it was sprung up, it withered away, because it lacked moisture. |
| 7 | Een ander gedeelte viel tussen de doornen; en de doornen schoten mede op, en verstikten het. | And some fell among thorns; and the thorns sprang up with it, and choked it. |
| 8 | Een ander gedeelte viel op de goede aarde; het schoot op, en droeg honderdvoudige vrucht. Na deze woorden riep Hij uit: Wie oren heeft om te horen, hij hore. | And other fell on good ground, and sprang up, and bare fruit an hundredfold. And when he had said these things, he cried, He that hath ears to hear, let him hear. |
| 9 | Zijn leerlingen vroegen Hem naar de zin der gelijkenis. | And his disciples asked him, saying, What might this parable be? |
| 10 | Hij sprak: U is het gegeven, de geheimen te kennen van het koninkrijk Gods, maar tot de overigen wordt in parabels gesproken; opdat ze zouden zien en niet inzien, zouden horen en niet verstaan. | And he said, Unto you it is given to know the mysteries of the kingdom of God: but to others in parables; that seeing they might not see, and hearing they might not understand. |
| 11 | Dit is de zin der gelijkenis: Het zaad is Gods woord. | Now the parable is this: The seed is the word of God. |
| 12 | Het zaad langs de weg zijn zij, die het woord wel horen; maar dan komt de duivel en neemt het weg uit hun hart, opdat ze niet zouden geloven en worden gered. | Those by the way side are they that hear; then cometh the devil, and taketh away the word out of their hearts, lest they should believe and be saved. |
| 13 | Het zaad op de rots zijn zij, die het woord met vreugde aanvaarden, zodra ze het horen, maar die geen wortel hebben geschoten; een tijd lang geloven ze wel, maar in de tijd der beproeving vallen ze af. | They on the rock are they, which, when they hear, receive the word with joy; and these have no root, which for a while believe, and in time of temptation fall away. |
| 14 | Het zaad, dat tussen de doornen valt, zijn zij, die wel hebben geluisterd, maar die gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven zich laten verstikken en nooit tot rijpheid komen. | And that which fell among thorns are they, which, when they have heard, go forth, and are choked with cares and riches and pleasures of this life, and bring no fruit to perfection. |
| 15 | Maar het zaad, dat in de goede aarde valt, zijn zij, die met een goed en edel hart het woord vernemen, het aanvaarden, en het vrucht doen dragen door te volharden. | But that on the good ground are they, which in an honest and good heart, having heard the word, keep it, and bring forth fruit with patience. |
| 16 | Niemand steekt een lamp aan, en verbergt ze onder een bak, of zet ze onder een bed; maar hij plaatst ze op de kandelaar, opdat wie binnenkomt, het licht kan zien. | No man, when he hath lighted a candle, covereth it with a vessel, or putteth it under a bed; but setteth it on a candlestick, that they which enter in may see the light. |
| 17 | Want niets is verborgen, of het zal worden geopenbaard; en niets is geheim, of het wordt bekend en het komt aan het licht. | For nothing is secret, that shall not be made manifest; neither any thing hid, that shall not be known and come abroad. |
| 18 | Let er dus op, hoe gij luistert. Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden, wat hij meent te bezitten. | Take heed therefore how ye hear: for whosoever hath, to him shall be given; and whosoever hath not, from him shall be taken even that which he seemeth to have. |
| 19 | Nu kwamen zijn moeder en broeders naar Hem toe, maar door de menigte konden ze Hem niet bereiken. | Then came to him his mother and his brethren, and could not come at him for the press. |
| 20 | Men boodschapte Hem: Uw moeder en broeders staan buiten en willen U zien. | And it was told him by certain which said, Thy mother and thy brethren stand without, desiring to see thee. |
| 21 | Maar Hij gaf ten antwoord: Mijn moeder en broeders zijn zij, die het woord Gods horen, en er naar handelen. | And he answered and said unto them, My mother and my brethren are these which hear the word of God, and do it. |
| 22 | Op zekere dag ging Hij met zijn leerlingen in een boot, en zeide tot hen: Laten we oversteken naar de andere kant van het meer. Ze staken van wal; | Now it came to pass on a certain day, that he went into a ship with his disciples: and he said unto them, Let us go over unto the other side of the lake. And they launched forth. |
| 23 | en onder de vaart sliep Hij in. Maar een hevige storm brak los op het meer: ze kregen water binnen en liepen gevaar. | But as they sailed he fell asleep: and there came down a storm of wind on the lake; and they were filled with water, and were in jeopardy. |
| 24 | Ze gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, we vergaan. Toen stond Hij op, en gebood aan de wind en de golven; ze bedaarden, en het werd stil. | And they came to him, and awoke him, saying, Master, master, we perish. Then he arose, and rebuked the wind and the raging of the water: and they ceased, and there was a calm. |
| 25 | Maar tot hen zeide Hij: Waar is uw geloof? Met angstige verbazing zeiden ze tot elkander: Wie is Hij toch, dat Hij zelfs de winden gebiedt en het water, en dat ze Hem gehoorzamen? | And he said unto them, Where is your faith? And they being afraid wondered, saying one to another, What manner of man is this! for he commandeth even the winds and water, and they obey him. |
| 26 | Ze legden aan in het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. | And they arrived at the country of the Gadarenes, which is over against Galilee. |
| 27 | Zodra Hij aan wal was gestapt, kwam Hem uit de stad een man tegemoet, die door duivels was bezeten. Sinds lang droeg hij geen kleren meer, en verbleef niet in huis, maar in de grafspelonken. | And when he went forth to land, there met him out of the city a certain man, which had devils long time, and ware no clothes, neither abode in any house, but in the tombs. |
| 28 | Toen hij Jesus zag, viel hij gillend voor Hem neer, en schreeuwde het uit: Wat hebt Gij met ons te maken. Jesus, Zoon van den allerhoogsten God? Ik bid U, mij niet te gaan kwellen. | When he saw Jesus, he cried out, and fell down before him, and with a loud voice said, What have I to do with thee, Jesus, thou Son of God most high? I beseech thee, torment me not. |
| 29 | Want Hij had den onreinen geest geboden, den man te verlaten. Reeds dikwijls toch had hij zich van hem meester gemaakt. Dan had men hem met ketens en voetboeien gebonden, om hem vast te houden; maar hij had de boeien stuk gebroken, en was door den duivel naar eenzame plaatsen gejaagd. | (For he had commanded the unclean spirit to come out of the man. For oftentimes it had caught him: and he was kept bound with chains and in fetters; and he brake the bands, and was driven of the devil into the wilderness.) |
| 30 | Jesus vroeg hem: Hoe is uw naam? Hij zei: Legioen. Want vele duivels waren in hem gevaren. | And Jesus asked him, saying, What is thy name? And he said, Legion: because many devils were entered into him. |
| 31 | Ze verzochten Hem dringend, hun niet te gelasten, naar de afgrond te gaan. | And they besought him that he would not command them to go out into the deep. |
| 32 | Nu liep daar op de berg een grote troep zwijnen te grazen. Ze verzochten Hem, hun toe te staan, in die zwijnen te varen. Hij stond het hun toe. | And there was there an herd of many swine feeding on the mountain: and they besought him that he would suffer them to enter into them. And he suffered them. |
| 33 | Toen gingen de duivels uit van den mens, en wierpen zich op de zwijnen; en de troep plofte van de steilte in het meer, en verdronk. | Then went the devils out of the man, and entered into the swine: and the herd ran violently down a steep place into the lake, and were choked. |
| 34 | Toen de drijvers zagen, wat er gebeurde, vluchtten ze heen, en vertelden het in stad en land. | When they that fed them saw what was done, they fled, and went and told it in the city and in the country. |
| 35 | Men kwam dus zien, wat er gebeurd was. Toen ze nu bij Jesus kwamen, en den man, uit wien de duivels waren uitgegaan, gekleed en goed bij verstand aan Jesus’ voeten vonden zitten, werden ze bang. | Then they went out to see what was done; and came to Jesus, and found the man, out of whom the devils were departed, sitting at the feet of Jesus, clothed, and in his right mind: and they were afraid. |
| 36 | Nu verhaalden nog de ooggetuigen, hoe de bezetene was verlost. | They also which saw it told them by what means he that was possessed of the devils was healed. |
| 37 | Toen verzocht Hem de hele bevolking van het gebied der Gerasenen, om van hen heen te gaan; want een ontzettende vrees greep hen aan. Nu ging Hij weer in de boot, om terug te keren; | Then the whole multitude of the country of the Gadarenes round about besought him to depart from them; for they were taken with great fear: and he went up into the ship, and returned back again. |
| 38 | en de man, uit wien de duivels waren uitgegaan, vroeg Hem verlof, om bij Hem te blijven. Maar Hij zond hem heen, en zeide: | Now the man out of whom the devils were departed besought him that he might be with him: but Jesus sent him away, saying, |
| 39 | Ga naar huis, en verhaal al wat God u gedaan heeft. Hij ging heen, en vertelde heel de stad door, wat Jesus hem had gedaan. | Return to thine own house, and shew how great things God hath done unto thee. And he went his way, and published throughout the whole city how great things Jesus had done unto him. |
| 40 | Bij Jesus’ terugkeer kwam Hem de schare begroeten; ze stonden allen op Hem te wachten. | And it came to pass, that, when Jesus was returned, the people gladly received him: for they were all waiting for him. |
| 41 | En zie, daar naderde een man, Jaïrus genaamd, die overste van de synagoge was. Hij viel voor Jesus’ voeten neer, en verzocht Hem, mee naar zijn huis te komen, | And, behold, there came a man named Jairus, and he was a ruler of the synagogue: and he fell down at Jesus’ feet, and besought him that he would come into his house: |
| 42 | omdat hij een enige dochter had, ongeveer twaalf jaren oud, die op sterven lag. Terwijl Hij er heenging, drong de menigte tegen Hem op. | For he had one only daughter, about twelve years of age, and she lay a dying. But as he went the people thronged him. |
| 43 | Nu was daar een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiing leed, en heel haar vermogen aan geneesheren had uitgegeven, maar door niemand genezen kon worden. | And a woman having an issue of blood twelve years, which had spent all her living upon physicians, neither could be healed of any, |
| 44 | Ze trad achter Hem aan, en raakte de zoom van zijn kleed aan; aanstonds hield haar bloedvloeiing op. | Came behind him, and touched the border of his garment: and immediately her issue of blood stanched. |
| 45 | Jesus sprak: Wie heeft Mij aangeraakt? Allen ontkenden het, en Petrus zeide:Meester, de menigte omringt U, en dringt op U aan. | And Jesus said, Who touched me? When all denied, Peter and they that were with him said, Master, the multitude throng thee and press thee, and sayest thou, Who touched me? |
| 46 | Maar Jesus sprak: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb een kracht van Mij voelen uitgaan. | And Jesus said, Somebody hath touched me: for I perceive that virtue is gone out of me. |
| 47 | Toen de vrouw zag, dat ze ontdekt was, trad ze bevend vooruit, viel Hem te voet, en verhaalde voor heel het volk, waarom ze Hem had aangeraakt, en hoe ze aanstonds was genezen. | And when the woman saw that she was not hid, she came trembling, and falling down before him, she declared unto him before all the people for what cause she had touched him, and how she was healed immediately. |
| 48 | Maar Hij zei haar: Dochter, uw geloof heeft u gered; ga in vrede. | And he said unto her, Daughter, be of good comfort: thy faith hath made thee whole; go in peace. |
| 49 | Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van den overste der synagoge, en zeide Hem: Uw dochter is gestorven; val den Meester niet langer lastig. | While he yet spake, there cometh one from the ruler of the synagogue’s house, saying to him, Thy daughter is dead; trouble not the Master. |
| 50 | Jesus hoorde het, en sprak tot hen: Vrees niet, maar geloof; en ze zal worden gered. | But when Jesus heard it, he answered him, saying, Fear not: believe only, and she shall be made whole. |
| 51 | Bij het huis gekomen, liet Hij niemand met Zich binnengaan dan Petrus, Johannes en Jakobus met den vader en de moeder van het meisje. | And when he came into the house, he suffered no man to go in, save Peter, and James, and John, and the father and the mother of the maiden. |
| 52 | Allen weenden er, en jammerden over haar. Maar Hij sprak: Weent niet; ze is niet dood, maar ze slaapt. | And all wept, and bewailed her: but he said, Weep not; she is not dead, but sleepeth. |
| 53 | Men lachte Hem uit, overtuigd, dat ze dood was. | And they laughed him to scorn, knowing that she was dead. |
| 54 | Hij vatte haar bij de hand, en riep: Meisje, sta op! | And he put them all out, and took her by the hand, and called, saying, Maid, arise. |
| 55 | En haar geest keerde weer, en ogenblikkelijk stond ze op; en Hij gelastte, dat men haar te eten zou geven. | And her spirit came again, and she arose straightway: and he commanded to give her meat. |
| 56 | Haar ouders waren buiten zichzelf van verbazing; maar Hij verbood hun, het gebeurde aan iemand te vertellen. | And her parents were astonished: but he charged them that they should tell no man what was done. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL