고린도전서 7장 Petrus Canisius Translation
Petrus Canisius Translation · 네덜란드어 · 고린도전서 (1 Corinthians) · 40절 · 대역: King James Version
| 절 | Petrus Canisius Translation | King James Version |
|---|---|---|
| 1 | Wat de dingen betreft, waarover gij geschreven hebt: het is goed voor een mens, geen vrouw aan te raken; | Now concerning the things whereof ye wrote unto me: It is good for a man not to touch a woman. |
| 2 | maar ter vermijding van allerlei ontucht moet toch iedere man zijn eigen vrouw behouden, en iedere vrouw haar eigen man. | Nevertheless, to avoid fornication, let every man have his own wife, and let every woman have her own husband. |
| 3 | De man moet aan de vrouw zijn plicht vervullen, zoals ook de vrouw aan den man. | Let the husband render unto the wife due benevolence: and likewise also the wife unto the husband. |
| 4 | De vrouw heeft geen vrije beschikking over haar eigen lichaam, maar de man. Eveneens heeft ook de man geen vrije beschikking over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. | The wife hath not power of her own body, but the husband: and likewise also the husband hath not power of his own body, but the wife. |
| 5 | Weigert niet aan elkander, dan alleen met onderling goedvinden en voor een bepaalde tijd, om u aan het gebed te wijden; en gaat er dan weer toe over, opdat de satan u niet bekoort door uw onthouding. | Defraud ye not one the other, except it be with consent for a time, that ye may give yourselves to fasting and prayer; and come together again, that Satan tempt you not for your incontinency. |
| 6 | Dit laatste echter bedoel ik als een verlof, en niet als bevel. | But I speak this by permission, and not of commandment. |
| 7 | Integendeel, ik zou willen, dat alle mensen waren zoals ikzelf; maar iedereen heeft van God een persoonlijke gave, de één deze, gene weer een andere. | For I would that all men were even as I myself. But every man hath his proper gift of God, one after this manner, and another after that. |
| 8 | Tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: het is goed voor hen, zo ze blijven, zoals ikzelf ben | I say therefore to the unmarried and widows, It is good for them if they abide even as I. |
| 9 | Maar zo ze zich niet kunnen beheersen, laten ze dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan te verbranden. | But if they cannot contain, let them marry: for it is better to marry than to burn. |
| 10 | Aan de gehuwden beveel niet ik maar de Heer, dat de vrouw zich niet mag scheiden van den man; | And unto the married I command, yet not I, but the Lord, Let not the wife depart from her husband: |
| 11 | en zo ze toch gescheiden is, dat ze dan ongehuwd moet blijven of zich met den man moet verzoenen; ook dat de man de vrouw niet mag verstoten. | But and if she depart, let her remain unmarried, or be reconciled to her husband: and let not the husband put away his wife. |
| 12 | Aan de overigen zeg ik, niet de Heer: Wanneer een broeder een ongelovige vrouw heeft, en deze bewilligt er in, met hem samen te wonen, dan mag hij haar niet verstoten; | But to the rest speak I, not the Lord: If any brother hath a wife that believeth not, and she be pleased to dwell with him, let him not put her away. |
| 13 | eveneens, wanneer een vrouw een ongelovigen man heeft, en deze er in bewilligt, met haar samen te wonen, dan mag ze den man niet verstoten. | And the woman which hath an husband that believeth not, and if he be pleased to dwell with her, let her not leave him. |
| 14 | Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw geheiligd door den broeder; anders toch waren uw kinderen onrein, terwijl ze inderdaad heilig zijn. | For the unbelieving husband is sanctified by the wife, and the unbelieving wife is sanctified by the husband: else were your children unclean; but now are they holy. |
| 15 | Maar wanneer de ongelovige scheiden wil, laat hem scheiden; in zulke gevallen is de broeder en de zuster niet gebonden. God heeft u toch tot vrede geroepen; | But if the unbelieving depart, let him depart. A brother or a sister is not under bondage in such cases: but God hath called us to peace. |
| 16 | want hoe weet ge, vrouw, of ge den man zult redden; en gij, man, hoe weet ge, of ge de vrouw redden zult? | For what knowest thou, O wife, whether thou shalt save thy husband? or how knowest thou, O man, whether thou shalt save thy wife? |
| 17 | Iedereen heeft dus zó te leven, als de Heer hem heeft toegedeeld, zoals God hem heeft geroepen. Zo verorden ik in alle kerken. | But as God hath distributed to every man, as the Lord hath called every one, so let him walk. And so ordain I in all churches. |
| 18 | Is iemand geroepen, nadat hij de besnijdenis had ontvangen, hij moet ze niet wegwerken; is iemand als onbesnedene geroepen, hij moet zich niet laten besnijden. | Is any man called being circumcised? let him not become uncircumcised. Is any called in uncircumcision? let him not be circumcised. |
| 19 | De besnijdenis is niets, de onbesnedenheid evenmin, maar alleen de onderhouding van Gods geboden. | Circumcision is nothing, and uncircumcision is nothing, but the keeping of the commandments of God. |
| 20 | Laat iedereen in de staat blijven, waarin hij geroepen is. | Let every man abide in the same calling wherein he was called. |
| 21 | Zijt ge geroepen als slaaf, maak u daarover niet bekommerd; maar zo óók gij vrij kunt worden, maak dan liever van de gelegenheid gebruik. | Art thou called being a servant? care not for it: but if thou mayest be made free, use it rather. |
| 22 | Immers een slaaf, die geroepen is in den Heer, is een vrijgelatene van den Heer; zoals een vrije, die geroepen is, de slaaf is van Christus. | For he that is called in the Lord, being a servant, is the Lord’s freeman: likewise also he that is called, being free, is Christ’s servant. |
| 23 | Duur zijt gij gekocht; weest geen mensen-slaven. | Ye are bought with a price; be not ye the servants of men. |
| 24 | Broeders, laat iedereen voor God in de staat blijven, waarin hij geroepen werd. | Brethren, let every man, wherein he is called, therein abide with God. |
| 25 | Wat de maagden betreft, heb ik geen gebod des Heren; maar ik geef mijn gevoelen als iemand, die door Gods ontferming betrouwbaar is. | Now concerning virgins I have no commandment of the Lord: yet I give my judgment, as one that hath obtained mercy of the Lord to be faithful. |
| 26 | Welnu, ik ben er van overtuigd, dat om de aanstaande Nood dit het best is: dat namelijk iemand liefst zó blijft, als hij is. | I suppose therefore that this is good for the present distress, I say, that it is good for a man so to be. |
| 27 | Zijt ge aan een vrouw verbonden, zoek dan geen scheiding. | Art thou bound unto a wife? seek not to be loosed. Art thou loosed from a wife? seek not a wife. |
| 28 | Zijt ge niet aan een vrouw verbonden, zoek dan geen vrouw; doch ook al huwt ge, ge zondigt niet; en als een maagd trouwt, zondigt ze niet. Maar zulke personen zullen bekommernissen hebben naar het vlees, en die wilde ik u besparen. | But and if thou marry, thou hast not sinned; and if a virgin marry, she hath not sinned. Nevertheless such shall have trouble in the flesh: but I spare you. |
| 29 | Dit toch heb ik te zeggen, broeders. De tijd is kort. Daaruit volgt, dat zelfs zij, die vrouwen hebben, moeten zijn, als hadden zij ze niet; | But this I say, brethren, the time is short: it remaineth, that both they that have wives be as though they had none; |
| 30 | en zij die wenen, alsof ze niet weenden; en zij die blijde zijn, als verblijdden ze zich niet; en zij die kopen, als behielden ze het niet; | And they that weep, as though they wept not; and they that rejoice, as though they rejoiced not; and they that buy, as though they possessed not; |
| 31 | en zij die van de wereld genieten, als hadden ze er niets mee op. Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij; | And they that use this world, as not abusing it: for the fashion of this world passeth away. |
| 32 | en daarom wil ik, dat gij zonder zorgen zijt. —De òngehuwde is bezorgd over de dingen des Heren, hoe hij behagen zal aan den Heer; | But I would have you without carefulness. He that is unmarried careth for the things that belong to the Lord, how he may please the Lord: |
| 33 | maar de gehuwde is bezorgd over de dingen der wereld, hoe hij behagen zal aan de vrouw; | But he that is married careth for the things that are of the world, how he may please his wife. |
| 34 | en hij is verdeeld. Eveneens is ook de ongehuwde vrouw en de maagd bezorgd over de dingen des Heren, om heilig te zijn naar lichaam en ziel, terwijl de gehuwde bezorgd is over de dingen der wereld, hoe ze den man zal behagen. | There is difference also between a wife and a virgin. The unmarried woman careth for the things of the Lord, that she may be holy both in body and in spirit: but she that is married careth for the things of the world, how she may please her husband. |
| 35 | Ik zeg dit tot uw eigen bestwil, niet om u een strik om te doen, maar opdat gij onwankelbaar zoudt zijn in de eerbaarheid en in de toewijding aan den Heer. | And this I speak for your own profit; not that I may cast a snare upon you, but for that which is comely, and that ye may attend upon the Lord without distraction. |
| 36 | Zo iemand schande denkt te brengen op zijn jonge dochter, als ze eens over de jaren komt, en de zaken dus toch haar verloop moeten hebben: hij doe, wat hij wil; hij zondigt niet. Laat ze trouwen. | But if any man think that he behaveth himself uncomely toward his virgin, if she pass the flower of her age, and need so require, let him do what he will, he sinneth not: let them marry. |
| 37 | Maar hij, die onwankelbaar in zijn gevoelen volhardt, die vrij van dwang zijn eigen wil kan volgen, en die bij zichzelf besloten heeft, zijn jonge dochter ongerept te bewaren, hij doet wèl. | Nevertheless he that standeth stedfast in his heart, having no necessity, but hath power over his own will, and hath so decreed in his heart that he will keep his virgin, doeth well. |
| 38 | Dus, die zijn dochter uithuwt, doet goed, en die ze niet uithuwt, doet beter. | So then he that giveth her in marriage doeth well; but he that giveth her not in marriage doeth better. |
| 39 | Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft. Maar wanneer de man is ontslapen, dan is ze vrij te trouwen met wien ze wil, mits in den Heer. | The wife is bound by the law as long as her husband liveth; but if her husband be dead, she is at liberty to be married to whom she will; only in the Lord. |
| 40 | Toch is ze gelukkiger, zo ze blijft, zoals ze is; volgens mijn gevoelen althans. En ik meen toch wel, Gods Geest te hebben. | But she is happier if she so abide, after my judgment: and I think also that I have the Spirit of God. |
- 📚 Petrus Canisius Translation 책 목록
- 개역개정판 (1998)로
- 개역한글판 (1961)로
- 표준새번역 (1993)로
- King James Version로
- 🌐 다른 언어·판
Petrus Canisius Translation — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: 공개 도메인 (Public Domain) · 출처 ↗
King James Version — getbible.net(CrossWire SWORD 모듈)에서 가져옴 · 라이선스: GPL